DE WINSTVERDELING

De winstverdeling van de Nationale Bank van België
Een onwaarschijnlijke evolutie …

Het EU-verdrag bepaalt dat Nationale Centrale Banken van het ESCB financieel onafhankelijk van hun respectievelijke Staten en/of van hun aandeelhouders moeten kunnen opereren.
Dit houdt in dat zij autonoom over voldoende financiële middelen moeten kunnen beschikken om de door het EU Verdrag en de ESCB-Statuten vereiste, met het ESCB verband houdende taken te vervullen, alsook de eigen nationale taken.

Alle Nationale Centrale Banken van het ESCB vervullen dezelfde taken “van algemeeen belang”, zoals deze bepaald werden in het Artikel 3 van het “Protocol betreffende de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank”:

3.1. Overeenkomstig artikel 105, lid 2, van het Verdrag zijn de via het ESCB uit te voeren fundamentele taken:

  • het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de Gemeenschap;
  • het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met de bepalingen van artikel 111 van het Verdrag;
  • het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten;
  • het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.

De Nationale Centrale Banken, zonder enig onderscheid, vervullen deze “opdrachten in het algemeen belang” NIET met werkingsmiddelen toebehorend aan de gemeenschap, doch WEL met het afgescheiden EIGEN VERMOGEN van de respectievelijke centrale banken zelf.
Een eigen vermogen welke toebehoort aan de centrale banken zelf, een vermogen waarover de uiteindelijke eigendomsrechten (volgens de bepalingen van de statuten) bij de aandeelhouders van de centrale banken liggen.

Vandaar zeker ook het grote belang welke in het EU-verdrag werd gegeven aan de financiële onafhankelijkheid van elke Nationale Centrale Bank.

Om dit doel (van financiële onafhankelijkheid) te bereiken maken de aandeelhouders van de NCB’s afspraken met de bestuurders van hun centrale bank omtrent de verhouding van de te reserveren en/of de uit te keren jaarwinsten.
Zij doen dit via aandeelhoudersovereenkomsten en/of leggen dit vast via de Statuten van de respectievelijke centrale bank. We maken geen volledige vergelijkende studie omtrent alle NCB’s, doch verwijzen en vergelijken enkel met De Nederlandsche Bank, omdat het bestuur van de Nationale Bank van België in haar eigen persberichten steeds zelf naar ons buurland refereert.

Bij De Nederlandsche Bank stelt zich geen enkel probleem:

Op basis van het Burgerlijk Wetboek, de Bankwet 1998, de statuten van de Bank en vastgelegde afspraken met de aandeelhouder mag de winst maar voor twee doelen gebruikt worden:

een toevoeging aan de reserves of een uitkering aan de aandeelhouder.

Een andere bestemming is onmogelijk, en de Rekenkamer kijkt hierop toe.

Het bestuur van De Nederlandsche Bank bepaalt vooraf welk deel van de jaarwinsten wordt aangewend om voorzieningen aan te leggen, als indekking van diverse risico’s. Wat overblijft is de “te bestemmen jaarwinst” en die wordt volgens eerder gemaakte afspraken met de aandeelhouder bestemd: naar de reserves ofwel uit te keren, wat uitsluitend kan aan de aandeelhouder.
De “gemaakte afspraak” is het resultaat van een grondig studiewerk, gezamenlijk uitgevoerd door een werkgroep van bestuurders van DNB en de aandeelhouder, en waarvan een “eindrapport kapitaalbeleid DNB” in totale transparantie wordt gepubliceerd en besproken in het Parlement.
Deze werkwijze is een uitwerking van de Statutaire bepaling die stelt dat “de jaarwinsten van DNB ter beschikking staan van de Algemene Vergadering der aandeelhouders.

Merk op hoe de relatie tussen deze Nationale Centrale Bank en haar eigenaar is geregeld, hoe de uiteindelijke eigendomsrechten (over de jaarwinsten en het vermogen van de centrale bank) zijn bepaald, en vooral ook: op welke manier bepaalde essentiële aspecten zoals daar zijn het bijpassen van kapitaal in geval van verliezen) zijn geregeld.

De Belgische situatie is alles behalve een voorbeeld voor de andere Nationale Centrale Banken.
Wel in tegendeel …

Dat de NBB één van de zeldzame centrale banken is met een gemengd aandeelhouderschap kan een verklaring zijn voor de wijze van handelen en het totale gebrek aan transparantie. Een rechtvaardiging is het allerminst!

Zoals men het bij de Nationale Bank van België zelf wil motiveren:

” Als centrale bank met opdrachten van algemeen belang en met een bijzondere kapitaalstructuur is zij niet “één-op-één vergelijkbaar met andere Nationale Centrale Banken” …. “

Gezien het feit dat de Nationale Bank van België (toen het haar goed leek uit te komen) eerst zelf altijd heeft gewezen op de vergelijkbaarheid, maar vooral ook omdat zij op identiek dezelfde wijze als De Nederlandsche Bank:

  • in perfect vergelijkbare monetaire omstandigheden (en bovendien omdat zij zelfs andere vergelijkbare “dekkings-verplichtingen” van haar eigen wetgever diende te respecteren) ook zelf haar officiële externe reserve-activa heeft verworven, ook zelf haar eigen vermogen heeft uitgebouwd,
  • dezelfde boekhoudkundige verplichtingen in haar financiële rapportering (vervat in de Richtsnoeren van de ECB) dient te respecteren,
  • en dus ook identiek dezelfde “opdrachten in het algemene belang” dient te vervullen, eveneens dezelfde risico’s moet nemen welke deze opdrachten kunnen hebben voor het vermogen van de vennootschap zelf,

lijkt het redelijk misplaatst te zijn om zich als Nationale Bank van België “totaal onvergelijkbaar en dus zelfs uniek” te beschouwen. Zich te verstoppen achter het excuus van “een eigen bijzonder sui generis rechtskader” en elke minimale transparantie blijven weigeren.

Uitsluitend het feit van het gemengde aandeelhouderschap (de “bijzondere kapitaalstructuur”) ligt aan de basis om zich ten koste van alles als uniek te willen beschouwen. En uniek is de Nationale Bank van België binnen het ESCB zeker: de Belgische wetgevende meerderheidsaandeelhouder heeft (in 2009) ingegrepen in het vennootschapscontract, heeft de Statutair bepaalde winstverdelingsregels gewijzigd in haar vordeel door de centrale bank een vergoeding te laten betalen voor het verkregen emissierecht van bankbiljetten: “de seigneuriage” genaamd.

Tot 2009 had de Belgische Wetgever een mechanisme ingesteld welke toeliet de jaarwinsten op vrij aanvaardbare manier te bestemmen, waarbij de Nationale Bank van België de soevereine Belgische Staat vergoede voor de seigneuriage.

de NBB betaalde aan de Belgische Staat een deel van de rente afkomstig van de activa die de tegenpost zijn van haar bankbiljettenomloop.

De “seigneuriagewinst” van de NBB werd dus GEDEELD tussen de Nationale Bank van België zelf en de Soevereine Belgische Staat.

Omdat de jaarwinsten van de Nationale Bank van België structureel steeds belangrijker en zelfs “excessief” dreigen te worden, wordt in 2009 de 3%-regel opgeheven en wordt het Artikel 32 in de Organieke Wet ingevoerd.

De Wetgever had hiermee als enige bedoeling “een onafhankelijke Regentenraad in staat te stellen om de soevereine Belgische Staat een correcte vergoeding voor de seigneuriage te verzekeren, en daarbij de financiële onafhankelijkheid van de NBB te garanderen”.

Behalve talloze flagrante en werkelijk zwaarwichtige fouten gaat de Wetgever totaal voorbij aan het toch wel belangrijke feit dat

Ondanks de standpunten bevestigd in een procedure voor het Grondwettelijk Hof blijkt het dat de Regentenraad op geen enkel moment zelfs maar de intentie heeft gehad om het aandeel van de Nationale Bank van België in de globale seigneuriage van het ESCB als “saldo van de jaarwinst” over te maken aan de (Soevereine) Belgische Staat!

En dan kan er niet voldoende aandacht en belang worden gegeven aan de foute en bedrieglijke intenties van dit misbruik van wetgevende macht:

Want op werkelijke leugens, daar komt het nu toch wel op neer. Of niet?

Bij verschillende gelegenheden en op alle mogelijke manieren werden zowel de Gouverneur als de Regentenraad, alsook de Minister van Financiën en onze verkozen vertegenwoordigers van het volk en de partijvoorzitters gewezen op deze problematiek.

En op de belangrijke gevolgen en risico’s verbonden aan het Artikel 32, en de manier waarop de Regentenraad deze meent te mogen invullen.

Onderstaande link (“De ratio legis”) geeft meer inzichten, over de fouten enerzijds en over de manier waarop men denkt die fouten van tafel te kunnen vegen.

Ondertussen is het gebleken dat de Regentenraad, met medeweten (en dus ook met de goedkeuring) van de Minister van Financiën, de “ratio legis” van de wet (waarin uitzonderlijke voorwaarden werden gesteld, bevestigd door de Raad van State en het Grondwettelijk Hof), vanaf 2009 gewoon naast zich heeft gelegd.

De Belgische Wetgevende meerderheidsaandeelhouder van de Nationale Bank van België heeft voor bepaalde van haar problemen een uitweg gezocht in de opsplitsing van haar positie. Er werd een unieke “relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat” en “relatie centrale bank – aandeelhouders van de centrale bank (waaronder voor 50% de Belgische Staat)” gecreëerd.
Het verschil tussen beide relaties, en het respect voor het verschil tussen seigneuriage en de vergoeding voor het kapitaal, werd als FUNDAMENTEEL vooropgesteld!

Het aanhouden van meerdere relaties met de Nationale Bank van België is werkelijk problematisch gebleken, en maakt dringende ingrepen noodzakelijk:

Verder info:

De concrete acties echter worden toegelicht op:

Directeur Tim Hermans
Algemene vergadering der aandeelhouders van 15 mei 2017:

De Staat heeft recht op een deel van de winsten van de NBB, in ruil voor het toegestane emissierecht van bankbiljetten
Wanneer de NBB echter  verliezen mocht gaan leiden is het niet aan De Staat, als verstrekker van dat zelfde emissierecht, om deze verliezen aan te zuiveren.

Directeur Tom Dechaene
Algemene vergadering der aandeelhouders van 15 mei 2017:

Er bestaat geen enkele koppeling tussen het saldo van de winst die de NBB uitkeert aan De Staat, en de omvang van de omloop van de bankbiljetten”.

  • Artikel 4 van de Statuten laat geen enkele ruimte:
    de jaarwinsten dienen ofwel gereserveerd, ofwel uitgekeerd in gelijke delen over alle aandeelhouders van de vennootschap. De Belgische Staat kan slechts de hand leggen op 50% van de jaarwinsten (en vermogen) van de Nationale Bank van België,

    “Elk  aandeel  geeft  recht  op  een  evenredig  en  gelijk  deel  in  de  eigendom  van  het  maatschappelijk vermogen en in de verdeling van de winsten.”
    • Als oplossing wordt het Artikel 32 wordt in de Organieke Wet ingevoerd:
      de Regentenraad kan voortaan, verondersteld onafhankelijk maar zonder enige verantwoording en dus in totale willekeur, “een saldo” van de totale jaarwinst (eigen vermogen) zo maar versluizen naar de schatkist van de 50% meerderheidsaandeelhouder.
  • In een gerechtelijke procedure voor het Grondwettelijk Hof werd met veel overtuiging gesteld, en werd bij herhaling in het Arrest de werkelijke bedoeling van de Belgische Wetgever heel duidelijk bevestigd:

    ” (..) dat de wetgever te dezen een oogmerk van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat DE « SEIGNEURIAGE»-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissie-privilege van de NBB binnen het ESCB te waarborgen (..) “,
    Het Grondwettelijk Hof  (GwH 23 juni 2010, nr. 74/2010) B.23. (pagina 29 – 30)
  • Want inderdaad, het is de Nationale Bank van België die zelf de noodzakelijke verduidelijking geeft:
    • Het emissierecht voor de bankbiljetten in euro ligt bij het ESCB, het is datzelfde ESCB die de seigneuriage verdient en de NBB ontvangt haar aandeel in deze seigneuriage-inkomsten naar verhouding van haar aandeel in het kapitaal van de EC.
    • Volgende feiten zijn dan werkelijk van essentieel belang:
      • Het gaat er dus om, EN SLECHTS OM, de Staat verlener, en aldus, de collectiviteit van burgers die hij vertegenwoordigt, de correcte vergoeding te verzekeren voor het zo aan de centrale bank verleende privilege, waarvan de uitoefening specifieke inkomsten genereert, SEIGNEURIAGE genaamd. “
        Bron:  Wetsontwerp  Doc  52  (1793/01)  pag. 6
      • de werkelijke en enige bedoeling van de Wetgever zoals deze inderdaad werd bevestigd voor het Grondwettelijk Hof,
      • de Wetgever had dit uitdrukkelijke standpunt opgenomen in haar Memorie van Toelichting in antwoord op evidente opmerkingen die werden geformuleerd door de Raad van State (die van mening was dat de Belgische Staat door het invoeren van dit Artikel 32 in een positie kwam die verschillend was van de 50% privé aandeelhouders)
      • de Wetgever had het ten slotte over een fundamenteel onderscheid:
        ” Zonder afbreuk te doen aan het fundamentele onderscheid tussen de seigneuriage (de relatie centrale bank -soevereine Staat) en de vergoeding van het kapitaal (relatie Nationale Bank-aandeelhouders, inclusief, sinds 1948, de Staat). ‘
        Bron:  Wetsontwerp  Doc  52  (1793/01)  pag.
    • Wanneer het Grondwettelijk Hof in een arrest zo duidelijk de bedoelingen, uitgangspunten en standpunten van de Belgische Wetgever herneemt in antwoord op vragen vanwege de Raad van State, en dit Grondwettelijk Hof oordeelt dat:

      ” De bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009, zoals hiervoor uiteengezet, doen niet op discriminerende wijze afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van de gewone aandeelhouders van de NBB, die niet in redelijkheid aanspraak kunnen maken op de “seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat. “
      Het Grondwettelijk Hof  (GwH 23 juni 2010, nr. 74/2010) B.11. (pagina 24)
    • En het Europees Stelsel van Centrale Banken verdient vanaf 2016 GEEN ENKELE EURO seigneuriage, en kan dus ook GEEN ENKELE EURO verdelen over haar NCB’s, waaronder de Nationale Bank van België,
    • en dan kan de Nationale Bank van België, gezien het “fundamentele onderscheid” en zelfs in het algemeen belang, GEEN ENKELE EURO « SEIGNEURIAGE»-inkomsten in verhouding tot het emissie-privilege van de NBB binnen het ESCB doorstorten aan de Belgische Staat.
Hoe verantwoordt men dan het bedrag van 1.497.231.000,00 euro welke de Regentenraad sedert 2016 heeft overgemaakt aan de Belgische Staat?
Had het Grondwettelijk Hof niet op dezelfde wijze moeten oordelen dat van de Belgische Staat “een zelfde redelijkheid als van de privé aandeelhouders werd verwacht”?

Dat De Belgische Staat geen aanspraak mag willen maken op het aandeel in de vergoeding van het kapitaal welke (statutair bepaald) toebehoort aan de 50% privé aandeelhouders”?