De seigneuriage van het ESCB

Elders op deze pagina wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende juridische procedures omtrent het thema “de winstverdeling van de Nationale Bank van België”. Op dit moment is het passend enkel de volgende beoordeling door het Grondwettelijk Hof uit te lichten:

Het Belgisch Grondwettelijk Hof

  • B.3.3.1. (pagina 16):
    “ De bestreden bepalingen wijzigen de regels in verband met de verdeling van de winsten van de NBB en vorming van haar reserves. Die regels beogen inzonderheid de Belgische Staat de zogenaamde « seigneuriage » te waarborgen, dit is het aandeel van de Staat in de inkomsten die de NBB verwerft als centrale bank die het emissiemonopolie over de uitgifte van bankbiljetten heeft.
  • A.3.2.2 (pagina 6):
    “De nieuwe verdeling van de inkomsten is evenredig met het doel om te waarborgen dat het surplus van de «seigneuriage», dit is de vergoeding voor het door de Staat aan de NBB verleende emissieprivilege, terugvloeit naar de Staat als vertegenwoordiger van de gemeenschap van de burgers.
  • B.23. (pagina 29 – 30):
    In de veronderstelling dat (…), dient te worden opgemerkt dat de wetgever te dezen een oogmerk van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat de “seigneuriage”- inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissieprivilege van de NBB binnen het ESCB te waarborgen en dat (..)
  • B.11. (pagina 24):
    De bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009, zoals hiervoor uiteengezet, doen niet op discriminerende wijze afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van de gewone aandeelhouders van de NBB, die niet in redelijkheid aanspraak kunnen maken op de “seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat.

De Wetgever zelf geeft het fundamentele verschil aan tussen de seigneuriage en de jaarwinst (de vergoeding voor het kapitaal). Elke euro van de jaarwinst welke niet correct als seigneuriage kan worden benoemd, maakt onvermijdelijk deel uit van de vergoeding van het kapitaal.

Men kan heel moeilijk ingaan tegen een oordeel vanwege het Grondwettelijk Hof, en wanneer dat Hof van de gewone aandeelhouders alle redelijkheid verwacht om geen aanspraak te maken op de seigneuriage van de Belgische Staat, dan verwacht datzelfde Hof dezelfde redelijkheid vanwege de Belgische Staat met betrekking tot de verdeling van de jaarwinsten.

Dat deze winsten correct worden verdeeld, volgens de bepalingen van het Artikel 4 van de eigen Statuten.

Maar wat in ieder geval van fundamenteel belang is in de beoordeling door het Belgisch Grondwettelijk Hof:

De bepalingen van het Artikel 32 van de Organieke Wet strekken er toe te waarborgen dat:

  • de Belgische Staat “het surplus van de seigneuriage kan ontvangen,
  • een seigneuriage die beperkt is tot “de verhouding van het emissie-privilege van de NBB binnen het ESCB.

We hebben elders reeds verduidelijkt op welke manier de seigneuriage van het ESCB dagelijks wordt berekend, en op welke manier ze wordt verdeeld over de ECB en alle NCB’s van het Eurosysteem:

De Belgische Wetgever heeft in haar Memorie van Toelichting (DOC 52 – 1793/001) met een op niet anders te begrijpen nadrukkelijke wijze gesteld:

“Wat dit laatste betreft, wordt, in antwoord op de eerste suggestie geformuleerd door de Raad van State in zijn advies van 22 december 2008, (..) , de relatie tussen de Nationale Bank en de soevereine Staat die, in de uitoefening van haar prerogatieven, aan de Nationale Bank, als centrale bank van het land, het emissieprivilege inzake bankbiljetten heeft verleend.
Het gaat er dus om, en slechts om, de Staat verlener, en aldus, de collectiviteit van burgers die hij vertegenwoordigt, de correcte vergoeding te verzekeren voor het zo aan de centrale bank verleende privilege, waarvan de uitoefening specifieke inkomsten genereert, seigneuriage genaamd.” (pagina 6)

Vanaf deze beoordeling door het Grondwettelijk Hof in 2010

tot meer dan 10 jaar na deze datum:

  • heeft de Regentenraad geen enkel respect getoond voor één van de belangrijkste gerechtelijke instanties van ons land,
  • heeft de Belgische Staat geen enkele redelijkheid getoond, gewoon door aanspraak te blijven maken op een belangrijk deel van de jaarwinsten toebehorend aan de gewone aandeelhouders.

Minstens had de Regentenraad dan:

  • de “correcte vergoeding” voor de seigneuriage bepaald als inderdaad een deel van de seigneuriage-inkomsten zoals deze worden bepaald door het ESCB,
  • en “het saldo van de jaarwinst” welke zij bestemt aan de soevereine Staat beperkt tot deze berekende “correcte vergoeding“.