DE ” SUI GENERIS WINSTVERDELING ”
VAN DE NATIONALE BANK VAN BELGIË …

We weerhouden de volgende reacties vanwege de Minister van Financiën:

  1. Steeds werd het sui generis rechtskader dat van toepassing is op de Bank – hetgeen de uitdrukkelijke wens is geweest van de wetgever en tevens gedeeltelijk voortvloeit uit Europese verplichtingen – bevestigd en werd vastgesteld dat dit door de Bank correct wordt toegepast.”
  2. Ik meen dat de uitgangspunten die de wetgever er in het verleden hebben toe aangezet dit specifieke rechtskader in de huidige vorm uit te werken, nog steeds gelden, zodat – mede gezien de voormelde rechtsspraak – ik geen reden zie om op dit ogenblik de Organieke Wet te wijzigen”.

Omtrent het “sui generis rechtskader” van de Nationale Bank van België, waarvan het bestuur van de bank zelf zegt “dat het een bijzonder” rechtskader is, zal moeten worden toegelicht en worden bevestigd:

  • wat die “uitgangspunten” zijn die de wetgever er in het verleden hebben toe aangezet dit specifieke rechtskader in de huidige vorm uit te werken,
  • “uitgangspunten” die tot op vandaag nog steeds gelden,
  • dat er inderdaad geen redenen zijn om de Organieke Wet te wijzigen,
  • omdat werd vastgesteld dat dit “sui generis rechtskader” altijd correct wordt toegepast?

Uit de toelichtingen van de Minister van Financiën aan het Parlement zal moeten blijken dat de onrechtmatige overdrachten van eigen vermogen van onze centrale bank naar de Schatkist van de Belgische Staat niet tot die “uitgangspunten” moeten worden gerekend.

Gezien het sui generis rechtskader altijd correct wordt toegepast kan de invoering van een Artikel 9bis (ter afdekking van onteigende goudmeerwaarden) en een Artikel 32 (als instrument om de statutair bepaalde winstverdeling te omzeilen) nooit tot deze uitgangspunten worden gerekend. Welke zijn ze dan wel?

We weerhouden de volgende reacties van de Nationale Bank van België:

  1. De NBB bevestigt de dubbele hoedanigheid van de Belgische Staat in het kader van de winstverdeling bij de NBB: enerzijds in “de relatie centrale bank – de Soevereine Belgische Staat” en anderzijds in “de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de NBB”,
  2. De NBB stelt dat:
    “Hieruit volgt dat de uitgifte van bankbiljetten niet de enig bron is van monopolie-inkomsten. Denk bijvoorbeeld aan de effectenaankopen van de Bank in het kader van de aankoopprogramma’s. Ook hieruit haalt de Bank bijzondere winsten, die eigen zijn aan een centrale bank, met name uit rentedragende activa die tegenover de Bank gecreëerde passiva staan. Bovendien zijn er, door het huidige renteklimaat, bepaalde specifieke centrale bank-passiva – bijvoorbeeld de depositofaciliteit – die eveneens inkomsten genereren.”
    (advies pagina 8)
  3. “De vaststelling dat dergelijke inkomsten niet voortvloeien uit de bankbiljettenuitgifte, neemt niet weg dat ze worden verworven in het kader van de wettelijke opdrachten van de Bank als centrale bank en, aldus, op basis van de door de overheid verleende monopolierechten. De ratio legis van artikel 32 van de organieke wet blijft bijgevolg overeind.”
    (advies pagina 8)

Reeds eerder had de Nationale Bank van België antwoorden in dezelfde zin gegeven op vragen gesteld op de Algemene Vergadering
van 18 mei 2020. De bevestiging, nu ook gegeven aan het Parlement, heeft werkelijk een extra belang.

Wanneer directeur Dechaene op de algemene vergadering van 2017 stelde dat ” Er geen enkele koppeling bestaat tussen het saldo van de winst die de NBB uitkeert aan De Staat, en de omvang van de omloop van de bankbiljetten. De seigneuriage-inkomsten van de NBB omvatten veel meer dan de opbrengst van de uitgifte van bankbiljetten,
dan wordt het nu duidelijk dat men zich niet heeft beperkt tot “de seugneuriage” maar dat men dit nu rechtvaardigend (?) ” de monopolie-winsten “ noemt.
Gemakkelijkheidshalve (?) gaat men echter voorbij aan enkele belangrijke “details” …

Deze standpunten vanwege NBB laten geen enkele twijfel meer bestaan:

De Nationale Bank probeert een eigen motivering te ontwikkelen, doch bevestigt zonder meer dat zij, sedert de aanpassing van het Artikel 32 in 2009, zich NOOIT heeft gehouden aan het waarborgen van uitsluitend de « SEIGNEURIAGE»-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissie-privilege van de NBB binnen het ESCB, doch wel alle zogenaamde “monopolie-inkomsten eigen aan een centrale bank” als saldo van de winst heeft overgemaakt aan de Belgische Staat.

Voor het Grondwettelijk Hof werden de privé aandeelhouders in 2009 wandelen gestuurd met “een fundamenteel onderscheid tussen uitsluitend de seigneuriage en de vergoeding voor het kapitaal” waar NIET aan geraakt zou worden. Waardoor het Hof geoordeeld heeft dat er niet werd geraakt aan het ongestoord genot van hun eigendom.
Het is duidelijk dat de Nationale Bank van België meer respect vraagt voor “haar eigen sui generis rechtskader” dan dat zij zelf kan opbrengen voor zowel als de Raad van State als voor het Grondwettelijk Hof.

Na ontvangst van de antwoorden vanwege de Minister van Financiën en vanwege de Nationale Bank van België werd één en ander onmiddellijk goed begrepen.
Commissielid Sander Loones (N-VA) richt zich tot de Minister van Financiën Vincent Van Peteghem, en dient op 8 februari 2022 een reeks van bijkomende vragen in:

Sander Loones, gewezen Europees parlementslid met jarenlange ervaring in de opvolging van de Europese Centrale Bank, beschikt over heel wat financiële en juridische kennis en inzicht en begrijpt heel goed dat het hele “sui generis rechtskader” van de Nationale Bank van België belangrijke gebreken vertoont.

Als verkozen vertegenwoordiger van het volk neemt hij voluit zijn verantwoordelijkheid t.o.v. de duizenden kleine beleggers in het aandeel NBB, en zal hij al zijn politieke ervaring en gewicht aanwenden om hun fundamentele belangen en rechten te herstellen.

Behalve de vragen aan de Minister van Financiën heeft Sander onmiddellijk het initiatief voorgesteld om een voorstel tot interpretatieve wet uit te werken en in overweging te laten nemen.
Dit met de bedoeling klaarheid te scheppen, het oorspronkelijke doel van de wet (het Artikel 32) te bevestigen.

” De regering moet een betrouwbare partner zijn en de wet naleven. Naar de letter én naar de geest. Het is m.i. duidelijk dat dit vandaag in deze niet het geval is. Ook het parlement heeft in deze een taak om dat te duiden én verduidelijken. Niet om zich te verschuilen. “

Sander op Twitter (17 februari 2022)

Wanneer de Raad van State zich, wegens een gebrek aan rechtsmacht onbevoegd heeft verklaard en we een nieuwe procedure voor de bevoegde Ondernemingsrechtbank aankondigen, geeft de gespecialiseerde media van ons land enige aandacht.

In het artikel wordt Sander Loones om toelichtingen voor zijn initiatief gevraagd, welke hij aanvult met zijn eigen inschattingen:

” Van Der Gucht heeft gelijk, maar ik denk dat er geen meerderheid zal zijn voor mijn voorstel. “

Mocht Sander hierin gelijk krijgen, en gezien de feiten maar vooral de enorme financiële gevolgen voor duizenden kleine beleggers welke de foute interpretatie van dit Artikel 32 heeft mogelijk gemaakt, stel ik nu reeds de vraag:

WAT is er dan nog meer nodig?
Op welke manier denken de andere vertegen-woordigers van het volk dan ooit nog het vertrouwen van de burgers in de politiek te kunnen herstellen?

Inmiddels werden de antwoorden vanwege de Minister van Financiën ontvangen.

Het is overduidelijk dat de pen van de Minister wordt vastgehouden door medewerkers van de Nationale Bank van België. Niet enkel omwille van de ingenomen standpunten of gebruikte argumenten ….
Nietemin ligt de volledige verantwoordelijkheid bij de Minister van Financiën.

Inmiddels werd eveneens het advies vanwege de Raad van State ontvangen.

Het advies werd overgemaakt aan de advocaten van Monard Law, ter analyse en correcte (juridische) interpretatie. Na advies zullen de gepaste bijsturingen volgen, zowel met betrekking tot de juridische procedure (voor de Ondernemingsrechtbank) als de procedure in de Commissie Financiën.