HET ARTIKEL 32

De uitgangspunten voor de Belgische Wetgever om het Artikel 32 in de Organieke Wet van de Nationale Bank van België in te voeren:

Zoals blijkt uit de “Memorie van Toelichting” zijn de beweegredenen van de Belgische Wetgever om de verdelingswijze van de seigneuriage te wijzigen “opmerkelijk” te noemen.
Het Verdrag benadrukt het grote belang dat een Nationale Centrale Bank ten allen tijde onafhankelijk moet kunnen opereren. Financiële onafhankelijkheid is daarbij essentieel, voldoende winstgevend zijn en die winsten ook in totale vrijheid kunnen bestemmen om op die manier over een voldoende groot eigen vermogen te beschikken dient verzekerd te zijn.

De “besluitvormende organen” van de centrale bank hebben hier een belangrijke rol. De “Algemene Vergadering der aandeelhouders” wordt niet langer erkend als een orgaan van de Nationale Bank van België, de Belgische Wetgever heeft (totaal onnodig en onterecht) de essentiële bevoegdheden om de jaarrekeningen en winstbestemming vast te stellen verlegd van de eigenaars van de vennootschap naar de Regentenraad.
Het is dan ook diezelfde Regentenraad die alle vrijheid heeft gekregen om, in totale onafhankelijkheid, de winstverdelings-regels aan te passen in het belang van “de financiële onafhankelijkheid van de vennootschap”.

Deze gedachtenkronkel vanwege de Regentenraad om de bestaande winstverdelingsregels ingrijpend aan te passen blijft opmerkelijk:

  • Als enige Nationale Centrale Bank wil de Regentenraad haar (soevereine) Belgische Staat vergoeden voor “de seigneuriage”,
  • Zij doet dit ook: via de bestaande 3%-regel wordt de seigneuriage gedeeld met de Belgische Staat,
  • Ondanks het feit dat de Nationale Bank van België (in 2009) reeds jaren lid is van het ESCB, en de seigneuriage van het ESCB volgens een vastgelegde methode wordt berekend en verdeeld over de ECB en elke andere NCB,
  • is het argument om de winstverdeling te wijzigen NIET het overnemen van deze methode om de seigneuriage toe te kennen, wordt er zelfs niet gerefereerd naar deze methode, laat staan dat ze onderdeel is van de voorgestelde nieuwe winstverdelingsregels.
  • Integendeel, de WEL geldende argumenten zijn:
  • de evolutie van de bankbiljettenomloop is veel sterker dan (in 1998) werd voorzien: hierdoor is de rendementsbasis en “het gedeelte dat de Staat aan de NBB laat” excessief geworden,
  • de Regentenraad wil situaties vermijden dat de opbrengsten ten belope van de eerste 3% van de netto rentegevende activa niet voldoende zouden zijn om de nodige reserves aan te leggen. Hetgeen moeilijk verzoenbaar zou zijn met de van een centrale bank vereiste financiële onafhankelijkheid.

Het Artikel 32 van de Organieke Wet werd dus ingevoerd omdat de Nationale Bank van België excessief veel winst maakte, de Belgische Staat vooral ook excessief veel winst aan haar (?) centrale bank liet. Hetgeen eigenlijk toch best verzoenbaar is met de vereiste financiële onafhankelijkheid van een NCB?

Er werd ook niet direct verduidelijkt op welke manier het Artikel 32 (of eender welk ander systeem) zou kunnen verhelpen aan het probleem om niet in staat te zijn om voldoende reserves aan te leggen mocht de eerste 3% van de netto rentegevende activa ontoereikend zijn. Ook nu zijn er nog situaties denkbaar waarbij er niet bijkomend kan worden gereserveerd?

De foute uitgangspunten komen terug, telkens weer:

  • De Nationale Bank van België is een van haar Staat afgescheiden juridische entiteit, met een eigen afgescheiden vermogen,
  • de (rechtspersoon) de Belgische Staat bezit slechts 50% van de aandelen (en dus ook slechts 50% van de uiteindelijke eigendomsrechten over dat eigen vermogen). De andere 50% zijn de eigendom van privé aandeelhouders,
  • de Belgische Wetgever kan niet zo maar oordelen dat de Staat teveel winst bij die centrale bank laat, bij wet beslissen over de bestemming die de winst zou moeten krijgen,
  • wanneer de eigendomsrechten over die winsten en het vermogen van de centrale bank op ondubbelzinnige wijze werden vastgelegd in de Statuten van de vennootschap.

De Belgische Staat, met 50 % de meerderheidsaandeelhouder van de Nationale Bank van België, gaat telkens opnieuw voorbij aan het feit dat zij slechts voor de helft de eigenaar is van deze vennootschap.

De passage uit de “Memorie van Toelichting” (op pagina 4) is wellicht eerlijker, en beter bruikbaar als echte argumenten om het Artikel 32 in de Organieke Wet in te voeren:

De 3%-norm garandeert niet langer dat het surplus van de inkomsten terugvloeit naar de Staat.
De praktijk van de laatste jaren toont immers aan dat de netto opbrengsten ten belope van de eerste 3% van het jaargemiddelde van de netto financiële activa de kosten van de Nationale Bank structureel en duurzaam dreigen te overschrijden. Ofwel:

  • de Nationale Bank van België maakt structureel voortdurend veel meer winsten,
  • door de bepalingen van de Statuten van de vennootschap kunnen die winsten enkel worden gereserveerd en kan de Belgische Staat slechts over 50% van de uitgekeerde winsten beschikken,
  • de financiële onafhankelijkheid van de centrale bank worden dan in absoluut belang wat lager ingeschat, en
  • dan beantwoorden de mogelijkheden, ingebouwd in het Artikel 32 van de Organieke Wet, perfect aan de doelstellingen!

Reeds de eerste zinnen van deze “Memorie van Toelichting” maken de foute bedoelingen van de wetgevende meerderheidsaandeelhouder duidelijk. Op pagina 4, de aanhef van de algemene beschouwingen:

Kenmerkend voor een centrale bank is dat er regels bestaan voor de verdeling van haar opbrengsten die moeten garanderen dat het surplus van de inkomsten ten opzichte van haar kosten, terugvloeit naar de Staat als soevereine Staat. De belangrijkste inkomstenbronnen van een centrale bank vloeien immers voort uit de uitoefening van door de overheid verleende monopolierechten, in het bijzonder inzake de uitgifte van bankbiljetten.”

Ter verduidelijking:

  • het “surplus van de inkomsten ten opzichte van de kosten“, dat zijn de jaarwinsten van de vennootschap, en NIET de seigneuriage!
  • bij elke Nationale Centrale Bank vloeien die jaarwinsten naar de aandeelhouders van die centrale banken!
  • in het beste geval “vergeet” men in deze algemene beschouwing dat het gaat over “de verdeling van slechts de seigneuriage“,
  • en dat er binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken een regeling werd vastgelegd om de seigneuriage te bepalen en te verdelen,
  • maar ook daaromtrent is het alles behalve “kenmerkend” dat “het surplus van de seigneuriage-inkomsten” worden verdeeld tussen de centrale bank en haar respectievelijke soevereine Staat.