CENTRALE BANKEN EN … RELATIES

De Nationale Centrale Banken (NCB’s) van het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn – zonder onderscheid – allemaal van hun respectievelijke Staat volledig afgescheiden juridische entiteiten, met hun afgescheiden eigen vermogen. Het Verdrag bepaalt dat de NCB’s institutioneel, functioneel en financieel totaal onafhankelijk moeten zijn. Onafhankelijk van hun Staat, onafhankelijk van hun aandeelhouders, ..

De Richtsnoeren van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben als uitgangspunt en bepalen dat de NCB’s uitsluitend activa en passiva op hun balansen tot uiting mogen brengen wanneer aan ALLE voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde om op de balans verantwoord te zijn is: “in weze ALLE risico’s en voordelen verbonden aan de betreffende actief- of passiefpost moeten voor rekening van de rapporterende entiteit (de NCB zelf dus) komen. Een ander uitgangspunt en verplichting is dat de NCB’s hun (eigen en vreemd) vermogen “waarheidsgetrouw” en met respect voor “het voorzichtigheidsbeginsel” in beeld moeten brengen.

De Europese Centrale Bank werd opgericht via inbrengen door de Nationale Centrale Banken, haar enige aandeelhouders (*). De ECB is een onafhankelijke entiteit, beheert haar eigen activa en vermogen onafhankelijk van haar aandeelhouders, en kent uitsluitend de relatie “centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank”: wanneer de ECB eventuele winsten, seigneuriage of ander vermogen uitkeert, dan doet zij dit uitsluitend aan de eigenaars van de centrale bank: de NCB’s, waaronder de Nationale Bank van België. Er is echter ook geen andere relatie wanneer er geen winsten doch wel belangrijke verliezen zijn, wanneer er bijkomende kapitaalinbrengen of bijkomende officiële externe reserve-activa noodzakelijk zijn …

(*) Men zou kunnen stellen dat de ECB is opgericht met “een doelvermogen”: de Nationale Centrale Banken hebben een deel van hun eigen vermogen en activa afgesplitst naar een afzonderlijke nieuwe juridische entiteit, met als doel het uitvoeren van de opdrachten die de ECB heeft ingeschreven in haar Statuten …

De Nederlandsche Bank

Is DE referentie voor de Nationale Bank van België, en de Nederlandse wetgever houdt het op slechts EEN ENKELE relatie:

“DE RELATIE CENTRALE BANK – DE AANDEELHOUDERS VAN DE CENTRALE BANK”

Het EU-verdrag bepaalt dat Nationale Centrale Banken van het ESCB financieel onafhankelijk van hun respectievelijke Staten en/of van hun aandeelhouders moeten kunnen opereren. Dit houdt in dat zij autonoom over voldoende financiële middelen moeten kunnen beschikken om de door het EU Verdrag en de ESCB-Statuten vereiste, met het ESCB verband houdende taken te vervullen, alsook de eigen nationale taken.
Bij De Nederlandsche Bank gelden volgende:

  • De Statuten van DNB: Artikel 22.2:De winst, blijkende uit de vastgestelde jaarrekening, staat ter beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders.
  • Op basis van het Burgerlijk Wetboek, de Bankwet 1998, de statuten van de Bank en vastgelegde afspraken met de aandeelhouder mag de winst maar voor twee doelen worden gebruikt: toevoeging aan de reserves of uitkering aan de aandeelhouder. Een andere bestemming is onmogelijk, en de Rekenkamer kijkt hierop toe.
  • Het bestuur van De Nederlandsche Bank bepaalt vooraf welk deel van de jaarwinsten wordt aangewend om voorzieningen aan te leggen, als indekking van diverse risico’s. Wat overblijft is de “te bestemmen jaarwinst” en die wordt volgens eerder gemaakte afspraken met de aandeelhouder bestemd: naar de reserves ofwel uit te keren, wat uitsluitend kan aan de aandeelhouder.
  • De “gemaakte afspraak” is het resultaat van een grondig studiewerk, gezamenlijk uitgevoerd door een werkgroep van bestuurders van DNB en de aandeelhouder, en waarvan een “eindrapport kapitaalbeleid DNB” in totale transparantie wordt gepubliceerd en besproken in het Parlement.
  • De werkwijze om tot “Het eindrapport kapitaalbeleid DNB” te komen is een uitwerking van de Statutaire bepaling (Artikel 22.2) dat stelt dat “de jaarwinsten van DNB ter beschikking staan van de Algemene Vergadering der aandeelhouders.

De eigenaar van De Nederlandsche Bank (vertegenwoordigd door de Minister van Financiën) bepaalt in samenspraak met het bestuur van DNB “het kapitaalbeleid”: op welke manier kan het bestuur eerst de belangen van de vennootschap vooropstellen en verzekeren, en op welke manier kan de eigenaar daarna beschikken over de opbrengsten, zonder de belangen van de vennootschap in gevaar te brengen.
DNB kan vrij autonoom beslissen over het aanleggen (en de omvang) van voorzieningen, de resterende winsten worden bestemd volgens afspraak met de aandeelhouder: winsten kunnen uitsluitend ofwel worden gereserveerd ofwel als dividend uitgekeerd aan de eigenaar.

De Nederlandsche Bank legt voorzieningen aan ter indekking van specifieke risico’s. Deze voorzieningen gaan ten koste van de jaarwinsten, de eventuele overblijvende winst wordt gereserveerd (om het vennootschapsbelang bijkomend te dienen) ofwel uitgekeerd aan de aandeelhouder. Teruggenomen voorzieningen worden aan de jaarwinsten toegevoegd.

Alle meerwaarden op alle activa op de balans van DNB tot uiting gebracht, dus ook op de officiële externe reserve-activa (waaronder haar goudvoorraad), alsook de seigneuriagewinsten van De Nederlandsche Bank, worden ofwel aangewend om voorzieningen aan te leggen, of worden gereserveerd of uitgekeerd aan de aandeelhouder van de centrale bank.

De Nederlandsche Bank kent inderdaad slechts één reltatie: “centrale bank – aandeelhouder van de centrale bank”.

Het aanhouden van slechts één relatie is altijd veel eenvoudiger, maakt het eenvoudig om in alle transparantie te handelen en heeft voor de burgers van ons dichtste buurland volgende gevolgen. Illustratief, om het absolute belang van de enige relatie tussen de centrale bank en haar eigenaars te beklemtonen:

  • Een kapitaalstorting door de aandeelhouder (de Staat) zal in het uiterste geval plaatsvinden. Als de reserves en het maatschappelijk kapitaal van DNB zijn uitgeput, zal het de aandeelhouder verzoeken tot een kapitaalinjectie om het (minimaal) maatschappelijk kapitaal van 500 miljoen euro weer te bereiken.”
    Bron: Eindrapport werkgroep kapitaalbeleid DNB 25/10/2018 – pagina 23
  • Omdat de Staat de enige aandeelhouder is, alle belang heeft bij een vertrouwenwekkende centrale bank en verplicht is tot een kapitaalstorting als het eigen vermogen zakt onder het maatschappelijk kapitaal, is er sprake van een impliciete staatsgarantie. Daarom hoeft DNB niet voor alle onbekende of extreme scenario’s buffers aan te houden. (..) De financiële buffers zijn bedoeld om de onwenselijke situatie te voorkomen dat het kapitaal van DNB door gerealiseerde verliezen lager wordt dan nodig voor behoud van vertrouwen in de centrale bank. Bij onvoldoende kapitaal kan de geloofwaardigheid van de centrale bank verminderen, staat de onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid onder druk en uiteindelijk kan dit het vertrouwen van het publiek in DNB aantasten.”
    Bron: Eindrapport werkgroep kapitaalbeleid DNB 25/10/2018 – pagina 22
  • Nederland is de eigenaar van de Nederlandsche Bank. We laten de Nederlandsche Bank nooit omvallen. (..)
    Voor een onafhankelijk monetair beleid moeten ook de NCB’s onafhankelijk zijn. (..) Volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de Statuten van het Europese Stelsel van Centrale Banken moeten nationale centrale banken autonoom kunnen beschikken over voldoende middelen om hun mandaat te vervullen. Mocht de Nederlandsche Bank grote verliezen lijden dan is er dus een verantwoordelijkheid voor de Nederlandse overheid om, als enige aandeelhouder, te zorgen dat de Nederlandsche Bank over voldoende middelen beschikt. In de huidige constellatie zijn de nationale overheden dus verplicht om de onafhankelijkheid van de nationale centrale banken te waarborgen door zo nodig extra middelen te verstrekken.
    Bron: Verslag incidentele suppletoire begroting winstafdracht DNB (8/3/2013) – pagina 14 – 15
  • Taakopdracht: DNB heeft de minister van Financiën per brief verzocht het kapitaalbeleid vanuit structurele optiek opnieuw te bezien. (..) Randvoorwaarden bij deze varianten zijn dat DNB adequaat gekapitaliseerd is en de Staat als aandeelhouder kan beschikken over de gerealiseerde winst, op een wijze die past bij een doelmatig begrotingsbeleid. (..)
    Bron: Eindrapport werkgroep kapitaalbeleid DNB 25/10/2018 – pagina 8
  • Uitgangspunten voor het kapitaalbeleid: (..) Het kapitaalbeleid gaat over de wijze waarop het bruto resultaat dat DNB boekt wordt gealloceerd: 1) DNB kan een voorziening aanleggen voor specifieke voorzienbare risico’s die zich in de toekomst kunnen materialiseren. Dit is onderdeel van de zogenoemde winstbepaling. 2) De winst die na het eventueel vormen van een voorziening resteert, kan als algemene buffer aan het kapitaal van DNB worden toegevoegd, of 3) De winst kan worden uitgekeerd als dividend aan de aandeelhouder: de Staat. De verdeling tussen 2) en 3) betreft de winstbestemming.
    Bron: Eindrapport werkgroep kapitaalbeleid DNB 25/10/2018 – pagina 8
  • “Daarbij komt dat ook zonder deze garantie de Nederlandsche Bank een (financieel) beroep kan doen op de aandeelhouder (zie hierna). In dat licht bezien is het dan ook minder relevant of DNB het geld voor de nieuwe risico’s zelf spaart of afdraagt aan de Staat. Bijgevolg zou het voor de kredietwaardigheid van ons land niet mogen uitmaken of er nu wel of geen garantie aan de Nederlandsche Bank wordt verleend. Voor mijn overweging tussen voor- en nadelen is van belang, dat de Nederlandse Staat de enige aandeelhouder van de Nederlandsche Bank is.
    Om de Nederlandsche Bank in alle onafhankelijkheid te kunnen laten opereren, is afdoende solvabiliteit van belang. Daartoe is in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgelegd dat de nationale centrale banken voldoende gekapitaliseerd dienen te zijn. Op het moment dat de uitstaande risico’s op de balans van de Nederlandsche Bank zich daadwerkelijk materialiseren zou in eerste instantie gekeken worden naar de omvang van het buffervermogen van de Nederlandsche Bank. Indien het vermogen afdoende zou blijken, zou geen aanvullende actie van de aandeelhouder gevergd worden. Bij een ontoereikend bufferniveau zou de Nederlandse Staat, als enige aandeelhouder (een deel van) het verlies voor haar rekening nemen om de solvabiliteit te garanderen.
    Bron: Verslag incidentele suppletoire begroting winstafdracht DNB (8/3/2013) – pagina 2 – 3

De voorgaande feitelijke opsomming van uitgangspunten moet aantonen dat:

  1. De Nederlandsche Bank totaal onafhankelijk van haar Staat en haar aandeelhouder haar eigen vermogen beheert,
  2. Waarbij in absolute transparantie en samenspraak met de aandeelhouder afspraken worden gemaakt omtrent een voor beide partijen optimaal kapitaalsbeleid,
  3. waarbij uitsluitend de eigenaar van de centrale bank de begunstigde is van alle uitgekeerde vermogen van de centrale bank. En ook de enige partij is die zal worden aangesproken in minder positieve situaties.
  4. Met volledig respect voor de eigen Statuten, met behoud van alle rechten voor de eigenaars van de centrale bank.

De Nationale Bank van België

Zou als Nationale Centrale Bank van ons land in elk opzicht perfect te vergelijken moeten zijn met DNB, doch de NBB houdt er MEERDERE RELATIES op na! Het risico van onbetrouwbaar te zijn is reëel:

“DE RELATIE CENTRALE BANK – DE AANDEELHOUDERS VAN DE CENTRALE BANK”
“DE RELATIE CENTRALE BANK – DE SOEVEREINE BELGISCHE STAAT

Bij de Nationale Bank van België gelden volgende:

  • De NBB werd reeds in 1850 opgericht als een naamloze vennootschap. Pas in 1948, nadat de bank 98 jaar uitsluitend in private handen was, heeft de Belgische Staat besloten toe te treden tot het kapitaal van de vennootschap. De Belgische Staat heeft nooit enige inbreng gedaan, de NBB heeft haar vermogen zelf opgebouwd,
  • Voor de uitoefening van hun rechten moeten de aandeelhouders zich houden aan de inventarissen van de vennootschap (Artikel 7 van de Statuten), en hun rechten worden bepaald door het Artikel 4 van de Statuten: “Elk aandeel geeft recht op een evenredig en gelijk deel in de eigendom van het maatschappelijk vermogen en in de verdeling van de winsten.”
  • Omdat ook de Nationale Bank van België, net als DNB een nationale centrale bank is van het ESCB, en bijgevolg ook de NBB aan allemaal dezelfde dwingende regels en uitgangspunten vervat in de Richtsnoeren van de ECB moet beantwoorden en voldoen, lijkt alles heel duidelijk, transparant en probleemloos te kunnen verlopen,
  • tot de Belgische (wetgevende) meerderheidsaandeelhouder er voor gekozen heeft dat de centrale bank van ons land een tweede relatie mocht beginnen.

Met als zogenaamd argument dat aan de Nationale Bank van België steeds meer “opdrachten van algemeen belang” werden toegewezen werd de relatie van de centrale bank opgesplitst in “een relatie centrale bank – haar aandeelhouders” en “een relatie centrale bank – haar soevereine Staat”. De meerderheidsaandeelhouder zocht hiermee duidelijk een uitweg voor de bepalingen van het Artikel 4 van de Statuten, waardoor de resultaten van alle activiteiten moesten worden gedeeld met de 50 % privé aandeelhouders.

Een tussentijdse toelichting:

  1. De opdrachten “van algemeen belang” zijn in niets verschillend van de opdrachten die DNB en elke andere NCB ook moeten uitvoeren (en is voor de Nederlandse Staat ook nooit een argument geweest om zelf ook “andere relaties te starten” …)
  2. De opdrachten “in het algemeen belang” worden door de centrale bank zelf uitgevoerd, met het vermogen welke haar aandeelhouders hebben ingebracht (en in de vennootschap hebben gelaten). Het is de centrale bank zelf die alle risico’s verbonden aan die opdrachten draagt, en hiervoor instaat met haar volledige vermogen. Niet die gemeenschap, met haar vermogen.
  3. Een “relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat” starten, met als uitsluitende bedoeling het Artikel 4 van de eigen Statuten te omzeilen, om bepaalde delen aan het eigen vermogen te kunnen onttrekken aan een statutair bepaalde verdeling met de privé minderheidsaandeelhouders, houdt bepaalde risico’s in.
    Men heeft dit in ons land heel duidelijk bewezen!!
  4. Waar men gemakkelijk verwijst naar “de relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat” wanneer men beslag legt op winsten die het resultaat zouden zijn van “de opdrachten in het algemeen belang”, heeft men het tot op vandaag nagelaten duidelijke afspraken te maken omtrent eventuele verliezen verbonden aan diezelfde activiteiten … Meerdere relaties mogen kunnen, maar dan wel mits heel goede afspraken ...

Een kort overzicht van de ontstane problemen, gevolg van de opsplitsing van de positie van de Belgische Staat in “de Staat als aandeelhouder” en “de Soevereine Staat”:

  • Wanneer België wil toetreden tot de Eurozone verkoopt de Nationale Bank van België een belangrijk deel van haar goudvoorraad welke zij, nochtans op identieke wijze van DNB, met haar eigen middelen had aangelegd als een wettelijke indekking van haar dadelijk opvraagbaar vreemd vermogen. De meerwaarden werden in een onbeschikbare reserverekening geboekt, zijn (net als bij DNB) toe te rekenen tot het eigen vermogen van de centrale bank. De meerderheidsaandeelhouder plaatst zich echter in zijn positie van “Soevereine Staat” en zal via “lex specialis” beslag leggen op deze gerealiseerde meerwaarden: de Belgische Staat zal een deel van HAAR deviezenschuld terubetalen met een deel van het vermogen van de Nationale Bank van België !
  • het Artikel 4 kon worden omzeild, en “om de noodzakelijke rechtszekerheid te garanderen” werd via het invoeren van een Artikel 9bis in de Organieke Wet een “correcte interpretatie van het juridisch statuut van de officiële externe reserve-activa” gegeven: niet enkel de goudvoorraad, maar ook de deviezenvoorraad, speciale trekkingsrechten (SDR’s), de reservepositie in het IMF, en andere reserves werden met enkele pennetrekken “officiële externe reserve-activa van de Belgische Staat”,
  • Ondanks deze bedoeling om (voor de Soevereine Staat) rechtszekerheid te brengen blijft de vaststelling: de NBB boekt (met respect voor de verplichte uitgangspunten en regels van de Richtsnoeren van de ECB, de bepalingen die het IMF geeft aan officiële externe reserve-activa van een land en de eigen verklaring van de NBB dat zij eigenaar is van deze activa volgens de bepalingen van het burgerlijk wetboek) deze reserve-activa op haar balans, en boekt de herwaarderingsmeerwaarden als eigen vermogen van de centrale bank (als een schuld aan de eigenaars van de centrale bank)!
  • Geen enkele actuele bepaling, niet in de Statuten en niet in de Organieke Wet, bepalen dat de resultaten verbonden aan deze activa (wanneer de als eigen vermogen geboekte meerwaarden, of eventuele verliezen, ook effectief zullen worden gerealiseerd) toe te rekenen zijn aan ofwel de “relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat” ofwel aan “de relatie centrale bank – de aandeelhouders”.
    De relatieve rechtszekerheid (?) van het Artikel 4 van de Statuten van een centrale bank, met betrekking tot de eigendomsrechten over het vermogen belegd in bepaalde activa ...
  • In de algemene evolutie van traditionele emissiebanken naar ware investeringsbanken, gesterkt door de (voortdurend dalende) renteëvolutie, maakt ook de Nationale Bank van België steeds belangrijkere winsten. Belangrijke winsten die de meerderheidsaandeelhouder, mits respect voor het Artikel 4 van de Statuten, slechts voor de helft naar de eigen Schatkist kan transfereren. In 2009 wordt opnieuw de “relatie centrale bank – de Soevereine Belgische Staat” ingeroepen en wordt het Artikel 32 van de Organieke Wet fundamenteel gewijzigd,
  • de Belgische Wetgever geeft aan een verondersteld totaal onafhankelijke Regentenraad de absolute vrijheid om bij de jaarlijkse winstverdeling zelf een dividend- en reserveringspolitiek te bepalen (zonder enige overeenkomst met of goedkeuring door de aandeelhouders van de vennootschap), en erger nog: “een saldo van de jaarwinst” kan zonder enige transparantie worden bestemd naar “de soevereine Belgische Staat”,
  • de Wetgever stelt nadrukkelijk dat de enige bedoeling is haar seigneuriage te waarborgen, en bevestigt ook voor het Grondwettelijk Hof en aan de Raad van State NIET te willen raken aan het fundamentele onderscheid met de vergoeding voor het kapitaal. De Staat bevestigt voor de hoogste gerechtelijke instanties van ons land dat:
    privé aandeelhouders mogen in redelijkheid geen aanspraak willen maken op de seigneuriage (die uitsluitend de gemeenschap zou tekomen), de Staat neemt specifieke maatregelen om (het aandeel van de NBB in) de seigneuriage (van het ESCB) te waarborgen, en het fundamentele onderscheid tussen “de relatie centrale bank – aandeelhouders NBB” en “de relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat” zal ten allen tijdestrikt worden gerespecteerd.
  • In een recent antwoord aan het Parlement heeft de Regentenraad schriftelijk toegegeven dat men zich OVER GEEN ENKEL boekjaar sedert 2009 heeft gehouden aan deze “ratio legis”. De Nationale Bank van België bevestigt dat zij niet enkel de seigneuriage maar wel gewoon “alle monopolie-inkomsten” van de NBB, in totale willekeur en zonder enige transparantie jaarlijks heeft overgemaakt aan de Belgische Staat ?!!
    Opnieuw: zonder enig respect voor de eigen Statuten, zonder enig respect voor de rechten van de 50 % andere eigenaars van de vennootschap!

Enkele bijkomende toelichtingen:

  • De Wetgever heeft reeds eerder de 50 % privé aandeelhouders van de Nationale Bank van België elke essentiële bevoegdheid van een eigenaar van een vennootschap ontnomen, en overgedragen aan de Regentenraad (dus aan het bestuur zelf),
  • de Algemene Vergadering is niet langer een erkend orgaan van de vennootschap: het is de Regentenraad die de jaarrekeningen goedkeurt, de revisor kwijting geeft, de winstverdeling beslist, enz… (dus het bestuur zelf)
  • de Regentenraad beslist zelf op welke manier zij binnen haar eigen “sui generis boekhoudkundig referentiekader” het vermogen van de vennootschap rapporteert, zonder zich al teveel te storen aan de wettelijke verplichting om dit waarheidsgetrouw in beeld te moeten brengen,
  • de Regentenraad weet zich hierbij niet gestoord: niet door een toezichthouder FSMA (want vrijgesteld van elke controle), niet door een externe revisor (want die rapoorteert uitsluitend aan de Regentenraad zelf, zegt geen enkele verantwoordelijkheid te hebben t.o.v. de 50 % privé eigenaars), niet door een Rekenhof (zoals in Nederland wel het geval is), blijkbaar niet door de ECB (want in de feiten geen waarheidsgetrouwe rapportering) en al helemaal niet door het Parlement (met betrekking tot de 50%-participatie van de Staat),
  • en opnieuw de Regentenraad beslist autonoom, zonder enige transparantie, verantwoording noch controle, over de manier waarop het eigen vermogen aan de vennootschap kan worden onttrokken en worden bestemd.
  • Zonder zich hierbij ook maar enigzins te storen aan de eigen statuten, noch aan de wetten noch aan de zelfs hoogste gerechtelijke instanties van dit land.
  • Tot besluit: het is niet de meerderheidsaandeelhouder de Belgische Staat, doch wel de Belgische Staat in “de relatie centrale bank – de soevereine Belgische Staat” die bepaalt welke bestuurder in de Regentenraad kan zetelen, en die daarnaast zijn eigen “vertegenwoordiger van de Minister van Financiën aan elke zitting van de Raad laat deelnemen. Die vertegenwoordiger heeft bepaalde bevoegdheden, om “het algemeen belang” te verzekeren …

De verschillende relaties van de Nationale Bank van België

Een belangrijke (doch onvolledige) slotsom van mezelf, voorgelegd aan de Wetgever:

  • De Belgische Staat heeft zich pas na 98 jaren ingeschakeld in een reeds sedert 1850 bestaande “relatie centrale bank – aandeelhouders van de centrale bank”,
  • Als meerderheidsaandeelhouder werd een hemzelf goed uitkomende doch totaal onnodige bijkomende “relatie centrale bank – de soevereine Belgische Staat” gecreëerd. Totaal onnodig, want zo bewezen bij ons buurland Nederland met haar De Nederlandsche Bank,
  • waarna de Belgische Wetgever eerst alle voor zich zelf nuttige en praktische omstandigheden heeft gecreëerd, en daarna een Artikel 9bis en Artikel 32 heeft ingevoerd waardoor nu werkelijk alles mogelijk werd gemaakt omtrent het onrechtmatig afleiden van het eigen vermogen van de centrale bank,
  • een bestuur van een beursgenoteerde centrale bank, EN de opeenvolgende Ministers van Financiën storen zich zelfs niet meer aan de eigen wetten van dit land noch tonen zij enig respect voor zelfs de hoogste gerechtelijke instanties,
  • de beloofde bescherming van kleine beleggers blijkt duidelijk dode letter te zijn, de werkwijze van de Belgische Staat als meerderheidsaandeelhouder van haar centrale bank kan onmogelijk de vervulling van een voorbeeldfunctie zijn, en
  • de sedert 1850 durende “relatie centrale bank – aandeelhouders van de Nationale Bank van België” kan op deze manier onmogelijk worden in stand gehouden. Immers:

De Raad van State en het Grondwettelijk Hof hebben in verschillende procedures “de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank” beoordeeld. En hebben ook hun standpunten gegeven omtrent (de beperkingen in) het afwijken van het gemeen recht in het zogenaamde algemeen belang, en hoe de werkelijke eigendomsrehten van de privé aandeelhouders van de NBB zich daarbij verhouden.

Er werd, met een onwaarschijnlijke drogreden, beroep gedaan op “de relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat”. Hoever een armlastige en geldhongerige Belgische Staat daarbij bereid is te gaan werd recent eindelijk bewezen:

Zonder enige transparantie werden miljarden euro’s aan het eigen vermogen onttrokken, zowel onder de vorm van meerwaarden op de goudvoorraad als van het overgrote deel van de jaarwinsten sedert 2009.
Deze miljarden euro’s werden NIET in het belang van de vennootschap (en haar eigenaars) gereserveerd, en werden NIET uitgekeerd als vergoeding voor de erkende fors oplopende krediet- en renterisico’s. Deze buffers zijn gewoonweg niet langer aanwezig.

Men is er nu wel in geslaagd om de miljarden euro’s eigen vermogen van de NBB (zonder te moeten delen) te versluizen naar de Schatkist van de Belgische Staat, en de actuele Minister van Financiën kan nu zelf wel van mening zijn dat:

De uitgangspunten die de wetgever er in het verleden hebben toe aangezet dit specifieke rechtskader in de huidige vorm uit te werken, nog steeds gelden, zodat – mede gezien de voormelde bestaande rechtspraak – ik geen reden zie om op dit ogenblik de Organieke Wet te wijzigen “.

Brief van de Minister van Financiën aan het Parlement (3/11/2021)

  1. de Minister zal zeker moeten verklaren wat “die nog steeds geldende uitgangspunten van de Wetgever” voor het Artikel 32, het Artikel 9bis en de Artikels 30 en 37 van de Organieke Wet zijn? Wat zijn de uitgangspunten om het ideale pad van De Nederlandsche Bank te verlaten? Het toedekken van gemaakte fouten omtrent de goudmeerwaarden? De kans creëren om extra miljarden jaarwinsten naar de Schatkist te versluizen?
  2. Waarschijnlijk zal het actuele Parlement ook enige verklaring willen omtrent het akkoord van de Minister met de Regentenraad om de ratio legis, zoals verdedigd en bevestigd voor de Raad van State en het Grondwettelijk Hof, zonder medeweten van dat Parlement, naast zich te leggen? Vooral ook gezien de gecreëerde toestand en in het kader van waarschijnlijk komende belangrijke verliezen voor de Nationale Bank van België?
  3. door “de relatie centrale bank – de soevereine Belgische Staat” op redelijk schandalige wijze te misbruiken werd nu echt wel een totale onduidelijkheid en niet vol te houden rechtsonzekerheid gecreëerd.
    Geen enkele van alle uitgangspunten, zoals bij De Nederlandsche Bank WEL duidelijk en onbetwistbaar werden bepaald in “een eindrapport werkgroep kapitaalbeleid DNB “, zijn in de actuele Organieke Wet geregeld:
    1. de Regentenraad blijkt, met medeweten en met het akkoord van de Minister van Financiën, zich niet te hebben gehouden aan het waarborgen van uitsluitend de seigneuriage (de relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat), doch hebben wel het initiatief genomen om zogenaamd “alle monopolie-inkomsten” van de NBB over te maken aan de Belgische Staat?
    2. Alle monopolie-inkomsten? Zonder enige (publiek gemaakte) inventarisatie? Zelfs niet goedgekeurd door het Parlement?
      Welke activiteiten (met hun activa en financieringswijze, en verbonden resultaten) horen dan wel tot “de relatie centrale bank – aandeelhouders van de centrale bank”, en welke tot de “relatie centrale bank – soevereine Belgische Staat” (die van de monopolie-inkomsten)?
    3. Tot welke relatie horen de resultaten verbonden aan het zogenaamde “aanhouden en beheren van de officiële externe activa van de Belgische Staat” (volgens het Artikel 9bis)?
    4. Wanneer de Minister en/of de Regentenraad zelf een bepaalde visie zouden hebben omtrent de toewijzing van bepaalde activiteiten aan de ene dan wel de andere relatie: zal dan zowel voor het Parlement als voor de algemene vergadering der eigenaars eindelijk een duidelijke en sluitende motivering – en transparantie – worden gegeven? Waarom bijvoorbeeld het vermogen belegd in de officiële externe reserve-activa van de Nationale Bank van België eventueel tot “de relatie centrale bank – de Belgische Soevereine Staat” zou behoren, terwijl dit bij De Nederlandsche Bank onbetwistbaar tot “de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank” wordt gerekend? Zal hierbij ook een advies van de ECB en het IMF worden gevraagd? En vooral ook: zijn de actuele bepalingen van de Organieke Wet ook effectief in overeenstemming met een dergelijke “nieuwe waarheid”? Welk Artikel regelt de bestemming van effectief gerealiseerde meerwaarden op de goudvoorraad die niet het resultaat zijn van arbitragetransacties?
    5. Men rekent blijkbaar alle opbrengsten uit het verleden, verbonden aan de effectenaankopen in het kader van de monetaire programma’s van de ECB, tot “de relatie centrale bank – de Soevereine Belgische Staat”. De ECB en elke NCB, en dus ook de NBB zelf, waarschuwen voor fors oplgelopen krediet- en renterisico’s. Welke actuele bepaling van welk artikel van de Organieke Wet regelt de wijze waarop dergelijk belangrijke verliezen zullen worden gecompenseerd, wanneer ze zich ook effectief gaan voordoen? Tot welke relatie zullen dergelijke verliezen worden gerekend?
    6. Wanneer de Belgische Staat zich als enige werkelijk de (sedert jaren onbestaande) seigneuriage wil laten vergoeden: dient deze vergoeding echt niet te worden herbekeken? Als een kostenrubriek van de resultatenrekening te worden berekend?
    7. Is het ook voor de Nationale Bank van België niet aangewezen om, net als bij DNB, de eigenaars van de centrale bank samen met het bestuur in “een eindrapport kapitaalbeleid NBB” duidelijke afspraken maken omtrent de winstverdeling? Ter vervanging van de actuele, totaal willekeurige en zonder enige transparantie manier van beslissen?
  4. Op welke manier zal worden vermeden dat de 50 % privé aandeelhouders uit het kapitaal van de vennootschap worden verdreven, mochten zij eventuele bijkomende inbrengen van kapitaal niet kunnen (of willen) volgen? En op welke manier zal de Minister van Financiën de schade voor de vennootschap (en haar privé aandeelhouders) compenseren of herstellen?
  5. In Nederland is het duidelijk dat de aandeelhouder alle uitgekeerde vermogen ontvangt, en dat de eigenaar van de centrale bank ook bijpast wanneer dit nodig is. Wanneer men (uitsluitend) winsten onttrekt aan de normale statutaire winstverdeling, zogezegd naar verhouding van de activiteiten in het algemeen belang: naar welke verhouding zullen in dezelfde situaties als omschreven door DNB de noodzakelijke bijstortingen van kapitaal verlopen?
  6. de Minister voelt zich blijkbaar gesterkt door “de bestaande rechtspraak”, door de verschillende overwinningen voor de rechtbanken. Het is absoluut geen dreigement, maar in het kader van volgende gerechtelijke procedures kan men de verschillende arresten beter toch nog eens nalezen?
  7. Teneinde herhalingen zoals omtrent het Artikel 32 vooral en het Artikel 9bis te vermijden: dient het sui generis rechtskader echt niet te worden herzien? En aan enige minimale efficiënte controle te onderwerpen? Vb. van het Rekenhof?
  8. Wanneer men “de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank” werkelijk wil herstellen, met het volle respect voor de rechten van de 50 % privé eigenaars van de Nationale Bank van België: zou het dan ook geen onderdeel moeten zijn van deze hervorming om hen ook alle bevoegdheden terug te geven? Zoals bij DNB, zoals bij de Banca d’Italia?
  9. En nog zovele punten meer …

Een goede en leuke relatie, DAAR moet men echt elke dag aan werken …

De privé aandeelhouders van de NBB zijn in ieder geval bereid er alles aan te doen om deze zwaar verstoorde relatie te herstellen …