De Raad van State: in essentie

De Raad van State verklaart in de twee procedures wegens “een gebrek aan rechtsmacht” onbevoegd te zijn.

Een beroep tot nietigverklaring van de beslissingen van de Regentenraad van de Nationale Bank van België tot goedkeuring van de jaarrekeningen, jaarverslagen en winstverdelingen dient voor de Ondernemingsrechtbank te worden gebracht. Die hieromtrent volgens de Raad van State WEL over de vernietigingsbevoegdheid beschikt.

Waar trekt de Raad van State echter wel de aandacht op? Wat werd er nu door één van de hoogste gerechtelijke instanties van ons land op echt wel ondubbelzinnige wijze bevestigd en nogmaals onder de aandacht gebracht? Wel:

Voor de jaarlijkse Algemene Vergadering van de eigenaars van de vennootschap weigert het bestuur de vragen van de aandeelhouders te beantwoorden, met als verantwoording: ” Er zijn lopende gerechtelijke procedures, uit respect voor de gerechtelijke instanties van ons land gaan we ons onthouden van elke discussie.”

Vervolgens worden deze procedures uiteindelijk ook opgestart en, opnieuw, zonder zelfs ook maar enige feitelijke discussie te willen starten, doet men al het mogelijke en onmogelijke opdat de Raad van State zich onbevoegd zou moeten verklaren?!

Het lijkt er heel sterk op dat men bij de Nationale Bank van België niet echt gebrand is op enige transparantie noch feitelijke discussie ?

Reeds eerder had de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank van Brussel een “bijzondere uitweg” gezocht om een heikel probleem op te lossen: ondanks het feit dat 1) de Algemene Vergadering van de Nationale Bank van België niet als een orgaan van de vennootschap wordt beschouwd, en 2) de Algemene Vergadering zelfs niet de bevoegdheid heeft om de jaarrekeningen goed te keuren:

  • ” Krachtens artikel 198, §2 in fine W.Venn. kunnen vorderingen tot nietigverklaring van een besluit van de algemene vergadering niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag waarop de besluiten kunnen worden tegengeworpen aan degene die de nietigheid inroept of van de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen. ” (…)
  • Eiser stelt tevergeefs dat artikel 198, §2 in fine W.Venn. niet van toepassing zou zijn op de besluiten van de Regentenraad omdat de Regentenraad een bestuursorgaan zou zijn en geen algemene vergadering.
    ECHTER: de aangevochten beslissingen betreffen goedkeuringen van de jaarrekening.
    Deze beslissingen komen in een gemeenrechtelijke naamloze vennootschap toe aan de algemene vergadering en de jaarrekeningen werden door verweerster op haar algemene vergadering gepresenteerd zodat de termijn van zes maanden zoals voorzien in artikel 198 §2 in fine W.Venn. van toepassing is. “
  • Dezelfde vaststelling geldt voor de vordering strekkende tot de nietigverklaring van de benoemingsbesluiten als leden van de Regentenraad. ”

Ondanks de ingrepen van de Wetgever en de feitelijke situatie werd de Nationale Bank van België door de rechtbank dus toch gelijkgesteld met “een gemeenrechtelijke naamloze vennootschap”

Al werd de hamer niet echt gehanteerd, de Raad van State levert hier toch een enorm belangrijke bijdrage tot de zaak die moet leiden tot het herstel van onze rechten als eigenaars van de Nationale Bank van België nv:

Op deze webpagina werd (onder Evolutie van de actie) in onze verzoekschriften en memories duidelijk gesteld waarom we deze procedure bij de Raad van State hebben ingeleid. We geven hier enkel een synthese van 1) de argumenten van belang die de Nationale Bank van België zelf heeft naar voren gebracht opdat de Raad van State zich onbevoegd zou moeten verklaren, en 2) van verschillende beoordelingen door de Raad van State:

In wezen betreft de voorliggende vordering, aldus de verwerende partij, “een claim van een aandeelhouder van een vennootschap die meent gerechtigd te zijn op een hoger dividend”, gesteund op het vennootschapscontract waaruit verbintenissen van contractuele aard zijn ontstaan tussen de aandeelhouders onderling en de aandeelhouders en de vennootschap.
(pagina 4/25)

De verwerende partij benadrukt dat de NBB te dezen niet is opgetreden als een administratieve overheid maar opgetreden is zoals iedere andere vennootschap die al dan niet een dividend ten gunste van haar aandeelhouders uitkeert, weliswaar binnen het op haar van toepassing zijnde wettelijk kader.
(pagina 5/25)

Er is geen reden om aan te nemen dat de loutere omstandigheid dat het organiek statuut van de NBB of dat de NBB optreedt in het algemeen belang ook onmiddellijk betekent dat de NBB, bekeken vanuit het perspectief van de aandeelhouders, niet zou functioneren op basis van een vennootschapscontract.
(pagina 5/25)

Indien de Raad van State zich zou inlaten met de wijze waarop de winstverdeling binnen de NBB geschiedt, wordt uitspraak gedaan over de interpretatie en de uitvoering van het vennootschapscontract en de draagwijdte van de rechten als aandeelhouder (op de winstverdeling) die verzoeker aan dat vennootschapscontract ontleent, (..).
(pagina 6/25)

De verwerende partij wijst op recente rechtspraak van de ondernemingsrechtbank te Brussel waarin de beslissing van de Regentenraad van de NBB inzake de goedkeuring van de jaarrekening wordt gelijkgesteld aan de overeenstemmende beslissing van de algemene vergadering in een gemeenrechtelijke naamloze vennootschap met de erbij horende toepassing van de artikelen 198, $2, en 178 van het wetboek van vennootschappen.
(pagina 7/25)

De NBB is vormgegeven als een vennootschap en de specifieke regels die de NBB beheersen schakelen de bevoegdheidsregeling van de ondernemingsrechtbank niet uit.
(pagina 7/25)

Ik laat elkeen zijn eigen interpretatie, en geef die van mezelf toch ook mee:

  1. De NBB functioneert op basis van een vennootschapscontract. Daar wijzigt de loutere omstandigheid dat de NBB optreedt in het algemeen belang niets aan,
  2. De Raad van State werd erop gewezen onbevoegd te zijn voor iets wat de Belgische Wetgever wel heeft gedaan: zich inlaten met de wijze waarop de winstverdeling binnen de NBB geschiedt. En daardoor de interpretatie en de uitvoering van het vennootschapscontract en de draagwijdte van de rechten als aandeelhouder (op de winstverdeling) fundamenteel wijzigen,
  3. De vraag stelt zich dus: hoever kan de Wetgever gaan, ondanks de loutere omstandigheid dat de NBB het algemeen belang dient, bij het ingrijpen in de uitvoering van het vennootschapscontract?

Verder heeft de Raad van State volgende werkelijk belangrijke feiten onderstreept en bevestigd:

Uit wat voorafgaat, volgt dat het standpunt van verzoeker als zou de verwerende partij geen vennootschap zijn, niet kan worden bijgevallen. Zij is dat wel degelijk ondanks haar bijzondere statuut.

(De beoordeling van de Raad van State, betreffende het statuut van de Nationale Bank van België, pagina 19)

Zoals het Grondwettelijk Hof oordeelde dat die verschillen niet van dien aard zijn dat zij eraan in de weg staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft. “

(De Raad van State bevestigt het standpunt van het Grondwettelijk Hof, pagina 19)

“ Artikel 32 van de wet van 22 februari 1998 dat bepaalt hoe – in afwijking van het gemeen vennootschapsrecht – de jaarlijkse winsten worden verdeeld, beoogt de vorming van de reserves van de NBB evenals de zogenaamde “seigneuriage” te waarborgen, dit is het aandeel van de Staat (dit is het saldo bedoeld in punt 4°) in de inkomsten die de NBB verwerft als centrale bank die het emissiemonopolie over de uitgifte van bankbiljetten heeft. Dat emissieprivilegie wordt thans uitgeoefend binnen het ESCB, waarvan de NBB integrerend deel uitmaakt, waarbij het aandeel van elke nationale bank in de inkomsten van dat stelsel wordt bepaald in verhouding tot het bevolkingsaantal en het bruto nationaal product van elk van de betrokken Staten (zie GwH, 74/2010, 23 juni 2010, punten B.3.3.1 e.v.) “.

(De Raad van State bevestigt de beoordeling door het Grondwettelijk Hof dat de ratio legis van het artikel 32, in afwijking van het gemeen vennootschapsrecht, uitsluitend beoogt de seigneuriage te waarborgen, het arrest pagina 16)

In zijn arrest nr. 74/2010 van 23 juni 2010 overweegt het Grondwettelijk Hof dat het bijzonder juridisch statuut van de NBB, daarin begrepen de specifieke regels inzake de winstverdeling (cfr. supra daarin begrepen “de seigneuriage”), zijn grondslag vindt in de aan de NBB toevertrouwde opdrachten van algemeen belang waaronder haar rol in de uitgifte van bankbiljetten en deze van Rijkskassier (punt B.6.1), wat ertoe noopt, aldus het Grondwettelijk Hof, “een onderscheid te maken tussen enerzijds de positie van de Belgische Staat, aan wie de in B.3.3.1 omschreven “seigneuriage” toekomt, en, anderzijds, de positie van de Belgische Staat als aandeelhouder tegenover de overige aandeelhouders van de NBB” (punt B.6.1).

Het Grondwettelijk Hof voegt daar evenwel aan toe dat “die verschillen niet van dien aard zijn dat zij eraan in de weg staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft. De bijzondere positie van de Belgische Staat als houder van “de seigneuriage” vormt volgens het Grondwettelijk Hof een objectief criterium dat in redelijkheid verantwoordt dat de wetgever specifieke maatregelen neemt om de inning van die vergoeding voor het emissierecht te waarborgen.

(Pagina 17-18)

Gezien deze bevestigingen vanwege de Raad van State, krijgt ook de volgende beoordeling door het Grondwettelijk Hof een extra belang:

“In de veronderstelling dat de verzoekende partijen, anders dan andere aandeelhouders van naamloze vennootschappen, worden geraakt in hun vermogensrechten als aandeelhouders van de NBB en, zodoende, in hun recht op ongestoord genot van eigendom zoals gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dient te worden opgemerkt dat de wetgever te dezen een oogmerk van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat de “Seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissieprivilege van NBB binnen het ESCB te waarborgen en dat – zoals reeds vastgesteld naar aanleiding van het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel – de genomen maatregelen niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de aandeelhouders van de NBB, en met name niet aan hun eigendomsrecht.

De verdeling van de winsten en de toewijzing aan de reserves van de NBB vanaf het boekjaar 2009 overeenkomstig de bestreden wet van 3 april 2009, brengen geen onteigening of een onverantwoorde inmenging mee in het recht op ongestoord genot van eigendom van de verzoekende partijen als particuliere aandeelhouders van de NBB, zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

(GwH, pagina 29-30, B.23)

En ook toch nog:

” De bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009, zoals hiervoor uiteengezet, doen niet op discriminerende wijze afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van de gewone aandeelhouders van de NBB, die niet in redelijkheid aanspraak kunnen maken op de “seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat. “

Het Grondwettelijk Hof  (GwH 23 juni 2010, nr. 74/2010) B.11. (pagina 24)

De bedoelingen vanwege de Belgische Wetgever zijn onweerlegbaar. De ratio legis van het Artikel 32 van de Organieke Wet werd, op aandringen vanwege de Raad van State, heel duidelijk bijgesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft deze ratio legis en andere belangrijke feiten beoordeeld en bevestigd.
En heel recent heeft opnieuw de Raad van State dit alles nu nogmaals bekrachtigd en verduidelijkt.

En dus opnieuw, steunend op alle bevestigende standpunten vanwege de twee hoogste gerechtelijke instanties van ons land, geef ik ook omtrent dit gedeelte een eigen interpretatie en synthese van de feiten:

  • De Nationale Bank van België nv funtioneert op basis van een vennootschapscontract,
  • Ondanks haar bijzondere statuut is zij wel degelijk een naamloze vennootschap die ingeschreven staat op de lijst van vennootschappen die een beroep op het openbaar spaarwezen hebben gedaan,
  • De verschillen tussen de Nationale Bank van België als naamloze vennootschap en de andere gemeenrechtelijke naamloze vennootschappen zijn niet van dien aard dat zij eraan in de weg zouden staan om de situatie te vergelijken van hun aandeelhouders inzonderheid wat hun rechten op deelneming in de winsten betreft,
  • Wanneer de Wetgever (in 2009) het Artikel 32 invoert toont de Raad van State zich kritisch, en dringt de RvS er bij de Wetgever op aan meer expliciet te zijn omtrent de voorgestelde ingreep op het vennootschapscontract,
  • de Wetgever moest uitdrukkelijk bevestigen dat het de uitsluitende bedoeling is om niets meer dan haar correcte vergoeding voor het emissierecht te waarborgen,
  • De Raad van State heeft nu recent ook de eerdere beoordeling van het Grondwettelijk Hof bevestigd dat de bijzondere positie van de Belgische Staat, als houder van “de seigneuriage”, een objectief criterium vormt dat in redelijkheid verantwoordt dat de wetgever kan afwijken van het gemeen vennootschapsrecht, en specifieke maatregelen neemt om de inning van die vergoeding voor het emissierecht te waarborgen,
  • het Grondwettelijk Hof oordeelde dat “de wetgever te dezen een oogmerk van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat de “Seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissieprivilege van NBB binnen het ESCB te waarborgen,
  • en dat het daarom noodzakelijk was “een onderscheid te maken tussen enerzijds de positie van de Belgische Staat, aan wie de omschreven “seigneuriage” toekomt, en, anderzijds, de positie van de Belgische Staat als een aandeelhouder tegenover de overige aandeelhouders van de NBB,
  • de Belgische Wetgever zelf benadrukte het fundamentele onderscheid tussen de seigneuriage (de relatie centrale bank – de soevereine Staat) en de vergoeding van het kapitaal (de relatie centrale bank – de aandeelhouders, inclusief de Belgische staat), en ook om geen afbreuk te willen doen aan dit fundamentele onderscheid,
  • de verwachtingen van de gewone aandeelhouders van de NBB inzake de winstverdeling mogen dan wel gewettigd zijn en in niets verschillen van de aandeelhouders van andere gemeenrechtelijke naamloze vennootschappen, zij mogen in redelijkheid geen aanspraak kunnen maken op de “seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat.
  • Het omgekeerde geldt dan evenzeer: de Belgische Staat zal dezelfde redelijkheid opbrengen, het fundamentele onderscheid zoals beloofd ten allen tijde respecteren, en dus geen aanspraak willen maken op de vergoeding van het kapitaal,
  • En dus oordeelde het Grondwettelijk Hof eigenlijk:
    Uitsluitend wanneer de Regentenraad het fundamentele onderscheid tussen de seigneuriage en de vergoeding voor het kapitaal strikt zal respecteren brengt de verdeling van de winsten en de toewijzing aan de reserves van de NBB vanaf het boekjaar 2009 overeenkomstig de bestreden wet van 3 april 2009, geen onteigening of een onverantwoorde inmenging mee in het recht op ongestoord genot van eigendom van de verzoekende partijen als particuliere aandeelhouders van de NBB, zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
  • Elke euro onttrokken aan de jaarwinsten, die niet werd aangewend voor een bijkomende versterking van de reserves of niet als een vergoeding voor het kapitaal (als een dividend) werd uitgekeerd aan de eigenaars van de vennootschap,
    elke euro die echter wel als “een saldo van de winst” werd uitgekeerd aan de Belgische Soevereine Staat,
    moet volgens de Belgische Wetgever, het Grondwettelijk Hof en de Raad van State kunnen worden verantwoord als zijnde seigneuriage.