De Raad van State heeft zich wegens een gebrek aan rechtsmacht onbevoegd moeten verklaren.
Er rest ons dus enkel een nieuwe procedure te starten voor de bevoegde Ondernemingsrechtbank.

Immers: Recht moet en zal worden gesproken

De Raatate

Alle noodzakelijke informatie werd zonder enige twijfel gebracht op deze webpagina.
Om deze gerechtelijke procedure echter correct te kunnen begrijpen is de volgende synthese van feiten waarschijnlijk toch nuttig:

Alle Nationale Centrale Banken van het ESCB, alsook de Europese Centrale Bank zelf, zijn allen van hun respectievelijke staten afgescheiden juridische entiteiten met hun eigen afgescheiden vermogen.
Zij kennen inzake de eigendomsrechten over zowel hun vermogen als inzake de winstverdeling allen slechts één relatie:
de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank.

Op deze link wordt een vergelijking gemaakt met De Nederlandsche Bank, als eerste impressie waar men in ons land fout is gegaan …

De uiteindelijke eigendomsrechten over het vermogen van de Nationale Bank van België en de rechten van de aandeelhouders bij de winstverdeling zijn bepaald en verankerd in het Artikel 4 van de Statuten.

Om deze bepalingen inzake de winstverdeling te kunnen omzeilen heeft de Belgische Wetgever zich heel inventief getoond. Voor de Belgische Staat werd een nieuwe hoedanigheid gecreëerd, waardoor deze zich sedert 2009 verhoudt tot de NBB zowel in “de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank”, als in “de relatie centrale bank – de Soevereine Belgische Staat”.

De Wetgever heeft tegenover de hoogste gerechtelijke instanties van ons land bevestigd dat het waarborgen van uitsluitend de seigneuriage de enige bedoeling van de wetswijziging was. Dat uitsluitend die seigneuriage tot “de relatie centrale bank – de soevereine Staat” zou worden gerekend. En dus alle andere resultaten, zoals bij elke andere NCB, tot “de relatie centrale bank – de eigenaars van de centrale bank” blijven behoren. De Belgische wetgever oordeelde het onderscheid tussen de beide relaties als fundamenteel, en zou absoluut niet aan de vergoeding van het kapitaal raken.

Zowel het Grondwettelijk Hof als de Raad van State bevestigen 1) welk beperkt deel van de jaarwinsten kon worden onttrokken aan “de relatie centrale bank – de aandeelhouders van de centrale bank” (het waarborgen van de “Seigneuriage”-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissieprivilege van NBB binnen het ESCB), zonder anders een gestoord genot van eigendom in te houden, 2) de Nationale Bank van België (ondanks haar bijzondere karakter) een vennootschap is als elke andere vennootschap volgens het gemeen recht, en vooral 3) haar aandeelhouders in redelijkheid geen aanspraak zouden kunnen maken op de seigneuriage van de NBB, maar voor de rest hun rechten (inzake de winstverdeling) in niets verschillen met die van de aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen.

Op geen enkel moment, sedert de wijziging van het Artikel 32 in 2009, heeft de Regentenraad ook maar enig belang gegeven aan de “ratio legis”. Omdat het bestuur de totale vrijheid en macht werd gegeven, zelf haar financiële communicatie mag bepalen en vrijgesteld is van elke effectieve controle, werd het haar mogelijk gemaakt om in totale willekeur en zonder enige transparantie te moeten geven de winsten te bestemmen naar eigen goedvinden.
Op geen enkel moment werd “het saldo van de jaarwinst” beperkt tot haar aandeel in de seigneuriage van het ESCB. De Regentenraad acht zich almachtig en stelt zich zelfs boven het Parlement door ook “alle monopolie-inkomsten” te onttrekken aan “de relatie centrale bank – de eigenaars van de centrale bank”, ondanks het beweerde fundamentele onderscheid en ondanks alles wat zij heeft verkondigd voor het Grondwettelijk Hof. Zoals steeds stelt men zich bij de Nationale Bank van België ook hier weer boven elke wet.
Het bijzondere eigen sui generis rechtskader, welke door de Bank altijd correct wordt toegepast …

In het Parlement is het besef doorgedrongen dat één en ander niet is verlopen zoals eerdere Ministers van Financiën en Goeverneurs van de Nationale Bank van België dit hebben willen laten geloven.
Er worden vragen gesteld aan de actuele Minister van Financiën en Gouverneur, er lopen procedures voor de Commissie Financiën en er werd een wetsvoorstel ingediend welke de enige en werkelijke “ratio legis” van het Artikel 32 moet duidelijk stellen.

Alles wat in het Parlement gebeurt is van het allergrootste belang om uiteindelijk belangrijke bijsturingen te kunnen doorvoeren aan zowel de Organieke Wet als aan “het bijzondere sui generis rechtskader” van de Nationale Bank van België, en dit vooral ook om het herstel van de fundamentele rechten van de privé eigenaars van deze naamloze vennootschap te realiseren.

Het lijkt echter mogelijk te zijn dat, zelfs met heel wat herstellend wetgevend werk, de Belgische Staat niet spontaan het initiatief zal nemen om ook de enorme financiële schade te compenseren. Zelfs wanneer dit zou betekenen dat een Staat jarenlang zijn eigen burgers voor miljarden euro’s heeft bestolen. Vandaar …