EVOLUTIE VAN DE ACTIE

Advies van de Raad van State nr. 45.675/2 van 22 december 2008

Wat deze drie punten betreft geeft het voorontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen:

1) Door de exclusieve toekenning aan De Staat, van het laatste overschot van de jaarlijkse winsten van de Nationale Bank, die volgt uit het ontworpen artikel 32, 4°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek stelsel van de Nationale Bank van België,

komt De Staat, één van de aandeelhouders ervan, in een positie te staan die verschilt van die van de overige aandeelhouders.

In de memorie van toelichting bij het voorontwerp wordt dit verschil hoofdzakelijk gerechtvaardigd door de “uitoefening van door de overheid verleende monopolierechten, in het bijzonder inzake de uitgifte van bankbiljetten”. (…)

De Raad van State, afdeling wetgeving, beschikt, inzonderheid binnen de termijn van vijf werkdagen waarin hij om advies is verzocht, niet over de gegevens op basis waarvan hij kan vaststellen of de nieuwe in het voorontwerp beoogde regeling, die artikel 29 van de voormelde wet van 22 februari 1998 opheft en die krachtens het nieuwe ontworpen artikel 32, 4°, van diezelfde wet uitsluitend aan De Staat het laatste overschot van de jaarlijkse winsten van de Nationale Bank toekent,
de specifieke situatie van De Staat tegenover de Nationale Bank en de situatie bij laatstgenoemde adequaat vergoedt, zonder dat voor De Staat een buitenmatig voordeel op de andere aandeelhouders wordt gecreëerd.


In het wetgevend proces heeft de Regering (zoals zo vaak wanneer de Wetgever in de eigendomsrechten over het vermogen van de Nationale Bank van België heeft ingegrepen) aan de Raad van State slechts 5 werkdagen de tijd gegeven om het wetsvoorstel te onderzoeken en te beoordelen!


De Wetgever heeft op de bedenkingen van de Raad van State volgende duidelijke stelling ingenomen:

(…) , vooreerst opgemerkt dat de nieuwe regel noch als doel, noch als gevolg heeft de Staat als aandeelhouder van de Nationale Bank anders te behandelen dan de andere aandeelhouders van de Nationale Bank.

Het betreft niet de relatie tussen de Nationale Bank en de Staat als aandeelhouder, maar, zoals boven vermeld, de relatie tussen de Nationale Bank en de soevereine Staat  die, in uitoefening van haar prerogatieven, aan de Nationale Bank, als centrale bank van het land, het emissieprivilege inzake bankbiljetten heeft verleend.
Het gaat er dus om, en slechts om, de Staat verlener, en aldus, de collectiviteit van burgers die hij vertegenwoordigt, de correcte vergoeding te verzekeren voor het zo aan de centrale bank verleende privilege, waarvan de uitoefening specifieke inkomsten genereert, seigneuriage genaamd.

Bron:  Wetsontwerp  Doc  52  (1793/01)  pag. 6



Zonder afbreuk te doen aan het fundamentele onderscheid tussen de seigneuriage (de relatie centrale bank-soevereine Staat) en de vergoeding van het kapitaal (relatie Nationale Bank— aandeelhouders, inclusief, sinds 1948, de Staat, ..

Bron: Wetsontwerp  Doc  52  (1793/01)  pag. 7

De vergoeding van het kapitaal, ofwel de winst van de vennootschap. Deze wordt ofwel gereserveerd, ofwel uitgekeerd aan de aandeelhouders.

De Wetgever noemt dit “de relatie NBB en haar aandeelhouders”. De uiteindelijke eigendomsrechten over het vermogen van de centrale bank werden statutair verankerd, zijn voor geen enkele interpretatie vatbaar!
Door (de onafhankelijke) Regentenraad bij wet de mogelijkheid te bieden aan (het Artikel 4 van) de eigen Statuten voorbij te gaan en die vergoeding van het  kapitaal ongelijk te kunnen verdelen, doet de Wetgever onbetwistbaar wel degelijk afbreuk aan het fundamentele onderscheid tussen die vergoedingen van het kapitaal en het emissiemonopolie (de seigneuriage) !!

In de relatie “NBB en Soevereine Staat” werd GEEN kapitaal ter beschikking gesteld. Worden GEEN risico’s gedragen door de collectiviteit van burgers, zullen GEEN verliezen worden bijgepast!
Neen, dat doet de vennootschap zelf, en wanneer het fout gaat haar aandeelhouders!

Winst is winst, is eigen vermogen, toebehorend aan de vennootschap en uiteindelijk uitsluitend aan haar eigenaars. En de correcte vergoeding voor seigneuriage, als die winsten er al zijn, is volgens dit zelfde fundamentele onderscheid GEEN deel van die vergoeding van het kapitaal. Eventueel en hoogstens is dit een kost voor de centrale bank.


We moeten het bestuur van de vennootschap dus wijzen op haar duidelijk gebrek aan verantwoordelijkheidszin, zowel tegenover de vennootschap zelf als tegenover haar eigenaars, het algemeen belang en elke andere stakeholder.

De Regentenraad toont zich totaal onbekwaam en alles behalve onafhankelijk.

  • Gezien alle argumenten vanwege de Wetgever bij de invoering van het Artikel 32 in de Organieke Wet,
  • Gezien de vooropgestelde voorwaarden inzake transparantie, billijkheid, evenwicht in belangen tussen de verschillende partijen, onafhankelijkheid, respect voor de uiteindelijke eigendomsrechten van de aandeelhouders,
  • Gezien de feitelijke vaststellingen na tien jaar toepassing van dit Artikel 32, en
  • Gezien de risico’s welke dit alles inhoudt voor de rechten van de aandeelhouders:

lijkt het aangewezen en minstens verantwoord om de Raad van State
opnieuw in de mogelijkheid te stellen om de beoordeling van deze ingreep door de Wetgever deze keer grondig te kunnen maken.

En de Raad van State te laten beoordelen of haar bezorgdheid en bedenkingen bij de invoering van de wet terecht waren. Als burgers en aandeelhouders van de Nationale Bank van België moeten wij volop vertrouwen stellen in wat waarschijnlijk de enige nog resterende werkelijk onafhankelijke instelling is van ons land.

waarbij wij vragen om de vernietiging van de beslissing van de Regentenraad van de Nationale Bank van Belgie van 27 maart 2019 tot goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2018 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar.