STANDPUNTEN OMTRENT DE GOUDVOORRAAD

1)  DE NATIONALE BANK VAN BELGIË IS DE ENIGE EN VOLWAARDIGE EIGENAAR VAN HAAR GOUDVOORRAAD:

A) De monetaire geschiedenis van België:

De monetaire geschiedenis van België is uitgebreid in kaart gebracht, onder andere in diverse boeken geschreven door onafhankelijke geschiedkundigen en in opdracht van de Nationale Bank van België zelf. In deze boeken zijn talloze passages opgenomen die bevestigen dat de goudvoorraad volwaardige eigendom is van de NBB, en de meerwaarden op dit actief onbetwistbaar uitsluitend tot haar eigen vermogen behoren.
Dit wordt o.a. geïllustreerd door volgende citaten, doch de lijst zou eindeloos zijn mocht er een zekere volledigheid worden nagestreefd:
  •  De Nationale Bank van België 1939 – 1971, Boekdeel I (Van der Wee – Verbreyt), pagina 286:
    ” De juristen haalden nog een derde argument aan: de goudreserves en de tegoeden behoorden toe aan de Bank, waarvan het privaatrechterlijk karakter niet werd betwist, zodat men kan besluiten dat de bezetter daarover geen beschikkende maatregelen kan treffen volgens de conventie van Den Haag. “
  • De Nationale Bank van België en het monetaire gebeuren tussen de twee wereldoorlogen (Van der Wee – Tavernier), pagina 185:
    (deze passage handelt over de langdurige gesprekken tussen Gouverneur Strong van de Federal Reserve Bank of New York en Norman, betreffende de Belgische monetaire sanering, n.v.d.r.)
    ” …, de Bank moest volkomen eigenaar blijven van HAAR goudreserves, zodat de winsten uit herwaarderingen de Bank toevielen, enz. ”
    geschiedenisboeken
     
  • De Nationale Bank van België 1939 – 1971, Boekdeel I (Van der Wee – Verbreyt), pagina 403:
    ” … allereerst op wijzen dat, juridisch gezien, niet de regering maar de Bank eigenaar was van het goud en …” en eveneens: “… er alvast de nadruk op te leggen dat de goudreserve een “essentieel” element was van het Belgische centrale banksysteem als STATUTAIRE WAARBORG voor de waarde van de biljetten.”
  • De Nationale Bank van België 1850 – 1918 (P. Kauch), pagina 74
    ” Ongetwijfeld zou men deze leemten kunnen verklaren door het feit dat al de dekkingsmiddelen, die de Bank NIET voor rekening van de Schatkist aanhoudt, HAAR UITSLUITEND EIGENDOMSRECHT zijn.
    Doch dit recht werd nooit erkend, noch in 1850, noch zelfs na 1918, toen de Staat krachtens wetgeving op de monetaire verrichtingen zich de opbrengst van de herwaardering toeëigende of ze op een andere wijze gebruikte, op een ogenblik dus dat een wettekst van een paar regels lang, of EEN EENVOUDIGE TOEPASSING VAN HET BURGERLIJK RECHT, had kunnen vermijden dat de Regering of zelfs het parlement OP EEN WELLICHT BETWISTBARE WIJZE over de metaalvoorraad beschikten.  

Het is vreemd en tegelijkertijd betreurenswaardig dat de NBB opdracht geeft om haar eigen geschiedenis en die van monetair België nauwgezet in kaart te laten brengen, om vervolgens halsstarrig standpunten te blijven verdedigen die regelrecht ingaan tegen de beschreven historische feiten.
Niets is echter moeilijker dan de geschiedenis te willen herschrijven! 


B) De oorsprong van de goudvoorraad van de NBB:

De Nationale Bank van België heeft van de Belgische Staat het emissierecht voor bankbiljetten verkregen en heeft nagenoeg altijd het monopolie hiertoe gehad. Haar bankbiljetten werden een wettelijk betaalmiddel, waarvan de waarde volgens de Wet van 12 april 1957 werd uitgedrukt in een bepaald gewicht aan goud: de houder van een bankbiljet kon theoretisch van de NBB eisen dat het papiergeld hem in goud werd terugbetaald. Theoretisch, want deze inwisselbaarheid werd sedert 1935 zonder latere onderbreking opgeschort.
De eerste, in 1850 opgemaakte Statuten voorzagen dat de NBB een metaalvoorraad moest aanhouden gelijk aan ten minste één derde van het totaal van de bankbiljettenomloop.
Deze bij Wet bepaalde DEKKINGSCOËFFICIËNT werd herhaaldelijk aangepast.
De bankbiljetten zijn eigen schuldbewijzen, uitgegeven door de vennootschap Nationale Bank van België nv, waarvan de terugbetaalbaarheid aan de houder dient verzekerd te worden door die schuldenaar zelf. Tot 1988 diende deze dekkingscoëfficiënt in goud hiertoe de nodige zekerheid te bieden. 
Deze verplichting van de Wetgever dat de Nationale Bank van België haar bankbiljettenomloop (haar eigen schulden) diende in te dekken met een (niet renderende, risico inhoudende) voorraad goud ligt aan de basis van het bestaan van de huidige voorraad.
De eigen schulden (de bankbiljettenomloop) staan op het passief van haar balans, de eigen activa (de goudvoorraad) staat op het actief van haar balans. 
België maakte op die manier deel uit van een internationaal muntstelsel dat uitging van weliswaar vaste doch tevens aanpasbare pariteiten. Ook landen als Nederland en Duitsland maakten deel uit van dit stelsel, en kenden een vergelijkbaar systeem van dekkingscoëfficiënten.
(zie ook het jaarverslag Riksbank 2014, pagina 46)
Dit stelsel is heden niet meer van toepassing. Uit het verslag van de Commissie voor de Financiën dd. 06/12/1988 (Belgische Senaat, zitting van 6 december 1988) blijkt namelijk dat:
  1. de niet-inwisselbaarheid van de bankbiljetten wordt ingevoerd,
  2. daardoor vervalt voor de NBB de wettelijke verplichting om te beschikken over een goudreserve of over deviezen die inwisselbaar zijn tegen goud,
  3. ook de zogeheten gouddekking (bij Wet bepaalde dekkingscoëfficiënt) bij de uitgifte van papiergeld komt te vervallen,
  4. “De waarde van de munt hangt niet meer af van het bestaan van een goud- noch van een deviezendekking, doch wel … van een strak monetair beleid.”
De bankbiljetten van de Nationale Bank van België zijn op die manier volkomen “vertrouwensgeld” (of fiduciair geld) geworden.
(Zie ook: Belgische Senaat, zitting van 22 november 1988)

Ter illustratie, eigenlijk alles zeggend en elk op zich een sluitende argumentatie:

1) Tijdschrift van de Nationale Bank van België, September 1950
2) De dekkingscoëfficiënt en “vertrouwensgeld”
3) ” Bankbiljetten zijn zichtverplichtingen, gedekt door de totaliteit van de activa ”
4) Het volledige verhaal, een synthese
5) De Regentenraad geeft de opdracht de goud- en deviezenvoorraad van de Bank uit handen van de Regering te houden
Gedurende bepaalde periodes beschikte de Belgische Staat wel degelijk over een eigen goudvoorraad. Het onderscheid in eigendomsrechten werd toen (wel) altijd op transparante wijze weergegeven.
6) “Eigen goudbezit van De Staat, de goudvoorraad van de Bank, en de gezamenlijke goudvoorraad “
Wanneer België toetreedt tot het Internationaal Monetair Fonds (IMF) maakt de NBB uit haar eigen goudvoorraad een hoeveelheid goud over, een voorschot waarover de Belgische Staat een rente van 0,75% betaalt aan de Bank.
Zou u rente betalen voor het gebruik van een activum waarop u zelf eigendomsrechten kan laten gelden?

7) Jaarverslag NBB over het jaar 1947
Ook in het Parlement wist men – in 1951 beter dan nu (?) – aan wie de goudvoorraad werkelijk toebehoort.
8) Wetsvoorstel betreffende de goudwaarde van de frank (30 januari 1951)
Om munten van 20 en 50 belgische frank te slaan dient de Belgische Staat zilver aan te kopen. Zij richt zich hiertoe o.a. tot de Nationale Bank, en betaalt hiertoe de marktprijs. Opnieuw: een marktprijs betalen voor een activum waarvan je beweert eigendomsrechten te kunnen laten gelden?
9) De Belgische Staat koopt “uit den zilver-in-kas-voorraad” van de Bank (Jaarverslag over het jaar 1926)

 

2) ALLE VERLIEZEN EN MEERWAARDEN OP DE GOUDVOORRAAD KOMEN UITSLUITEND DE NATIONALE BANK VAN BELGIË TOE !

==  EN AAN HAAR AANDEELHOUDERS  ==

Alle resultaten verbonden aan het bezit van de officiële externe reserves komen voor rekening van het eigen vermogen van een centrale bank. En dus ook de resultaten op hun goudvoorraden. Dit feit wordt uitgebreid besproken op deze webpagina.

De centrale bank beheert haar goudvoorraad, onderdeel van haar eigen afgeschermd vermogen, op autonome en onafhankelijke wijze. Wanneer zij beslist gerealiseerde meerwaarden uit te keren, dan kan zij dit enkel doen aan de eigenaars van de vennootschap: haar aandeelhouders.
Bij wie anders kunnen de uiteindelijke eigendomsrechten liggen dan bij de aandeelhouders?

Het bewijs dat deze relatie “centrale bank – aandeelhouder” de enige geldende en ook algemeen aanvaarde is werd in het verleden reeds meerdere keren aangetoond.
Enkele voorbeelden hiervan:

1) Verkoop van goud door DNB (NRC Handelsblad van 14/01/1997)

2) Herwaardering goudvoorraad Bundesbank (NRC Handelsblad van 25/01/1997)

3) De Cypriotische goudvoorraad (De Tijd van 19/03/2013)

Waarom heeft de media het zo moeilijk om op dezelfde objectieve en kritische manier te rapporteren als het over de Belgische situatie gaat?
Is het begrip aandeelhouder zo moeilijk te begrijpen? Of zijn de rechten van een Belgische aandeelhouder anders dan die uit een ander land? Of hebben particuliere aandeelhouders altijd andere en mindere rechten dan een Staat als aandeelhouder?

Dat een Staat geen rechtstreeks rechten kan laten gelden op de goudvoorraad of zijn meerwaarden wordt duidelijk aangetoond door de Deutsche Bundesbank:  Jaarverslag Bundesbank 2014 . De Duitse Staat koopt het nodige goud, en de Buba keert de meerwaarden uit aan haar aandeelhouder.
Aandeelhouders van de NBB kunnen enkel maar heimwee hebben naar vroegere tijden. Ooit toonde de Belgische Staat hetzelfde respect voor de eigendomsrechten van haar centrale bank en van … haar aandeelhouders:  Jaarverslag van de NBB over het jaar 1926


 

3) DE HUIDIGE STATUS EN BELANG VAN DE GOUDVOORRAAD.

De goudvoorraden van de centrale banken hebben geen enkele monetaire functie meer. Zij zijn verworden tot gewone activa, zonder één enkel rechtstreeks verband met de bankbiljettenomloop. We hebben het hier dus over “vertrouwensgeld” of “fiduciair geld”, in de ware betekenis van het woord. De centrale banken geven eigen schulden uit (hun bankbiljetten), en de houder gaat ervan uit dat de centrale bank altijd die schuld zal kunnen terug betalen.
De goudvoorraad is wel nog een activum welke voldoet aan de voorwaarden van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) om als component van de “officiële externe reserves” te worden beschouwd.
Dit blijkt tevens uit het volgende citaat uit het jaarverslag van de Zweedse nationale bank (The Sveriges Riksbank, (jaarverslag 2014, pagina 46):
  • ” Zoals vele andere centrale banken beschikt The Riksbank over een goudreserve. Tot op zekere hoogte is dit een overblijfsel van de vroegere goudstandaard, waarbij bankbiljetten en muntstukken ingewisseld konden worden tegen een zekere hoeveelheid goud.
    Dergelijke samenhang bestaat vandaag niet meer, integendeel, goud is een financieel actief dat, zoals de buitenlandse wisselreserve, tracht te verzekeren dat The Riksbank haar taken kan vervullen. ” (vrije vertaling)
De huidige status van de goudvoorraad wordt verder precies uitgelegd in een nota naar aanleiding van een verslag van de Nederlandse commissie voor Financiën d.d. 08/03/2013 (pagina 12), waarin De Nederlandsche Bank (DNB) haar sterk toegenomen operationele risico’s en de status van haar goudvoorraad het onderwerp zijn:
  • Vraag: Er is heden ten dage toch niets monetairs aan goud? Het is toch een verhandelbaar activum dat zo eventueel geliquideerd kan worden? In die zin is het toch niet wezenlijk verschillend van andere activa? Het enige monetaire anker is toch de mate van kredietwaardigheid, en zo de mate van vertrouwen? Voor een bank is toch het kapitaal (inclusief reservering) eerder de monetaire reserve? ”
  • Antwoord van de Minister van Financiën:De goudvoorraad vervult geen rol als directe dekking van geld, maar draagt wel bij aan het vertrouwen in geld en de soliditeit van de Nederlandsche Bank en daarmee ook van Nederland. Als ultiem reserveactivum kan goud in een crisis worden ingezet om grensoverschrijdende betalingen gaande te houden (bijvoorbeeld door het in onderpand te geven).
    De beschikking hebben over een ultiem reserveactivum is voor een kleine, open economie als de Nederlandse het belangrijkste motief om goud aan te houden. “
Ofwel gewoon terug kerend naar de stelling van Gouverneur Maurice Frère (buitengewone algemene vergadering der aandeelhouders van 27 mei 1957): 
  • ” .. De Bank is debiteur tegenover de houders van haar bankbiljetten voor het totaal nominaal bedrag van de circulatie. Zij is eveneens debiteur voor de creditsaldi der rekeningen die in haar boeken zijn geopend. Ten slotte heeft zij andere schulden die, ofschoon niet dadelijk opeisbaar, ongetwijfeld verbintenissen zijn. Voor al die schulden staat de Bank in met al haar activa …”.

De rol van de goudvoorraad met betrekking tot het emissierecht van een centrale bank kan niet beter en bondiger worden toegelicht dan door de Nationale Bank van België zelf:

  • ” In de loop van haar bestaan heeft de Nationale Bank voldoende prestige verworven om haar biljetten volledig fiduciair te maken, dit wil zeggen dat zij biljetten uitgeeft DIE HUN WAARDE VOLLEDIG ONTLENEN AAN HET VERTROUWEN DAT DE NATIONALE BANK GENIET in binnen- en buitenland. “

  • “Fiduciair geld en zijn dekking” (Informatiefiche NBB)

Transparante en waarheidsgetrouwe (financiële) communicatie zijn van het allergrootste belang om dit zo belangrijke vertrouwen in stand te houden!!

De goudvoorraad is gewoon een onderdeel van de totale activa van de centrale bank, waarvan de samenstelling, de omvang en de waarde van die activa het vertrouwen in de Bank moeten garanderen (bepalend zijn voor haar kredietwaardigheid). De NBB staat immers met haar totale activa in voor de terugbetaalbaarheid van het door haar uitgegeven “vertrouwensgeld”, wat haar bankbiljettenomloop is.

De goudvoorraad is het ultieme reserveactivum, het ultieme vertrouwensanker.



 

 

%d bloggers liken dit: