De “onbeschikbare reserverekening” werd door de Wetgever ingevoerd via een aanpassing van de Organieke Wet in 1989. Wijzigingen in het internationaal muntstelsel lagen aan de basis van deze ingreep, waardoor er ook in andere landen noodzakelijke aanpassingen dienden doorgevoerd.

De Belgische (en de internationale) monetaire geschiedenis staat zeer uitgebreid en gedetailleerd beschreven. De oprichtingen van de centrale banken, hun verdere evoluties onder invloed van wijzigende muntstelsels en te vervullen opdrachten worden nauwgezet beschreven en kunnen dus zonder enig probleem worden opgevolgd.
Het is opmerkelijk doch tegelijk ook logisch dat de evoluties van de Belgische en Nederlandse centrale banken in belangrijke mate gelijklopend zijn.
Om na te gaan of deze wetgevende ingreep, namelijk het invoeren van het Artikel 20bis als maatregel om de toekomstige gerealiseerde meerwaarden op de goudvoorraad van de NBB te gaan regelen, inderdaad kenmerkend was voor (de nationale) centrale banken, beperken we ons tot een simpele vergelijking met ons buurland Nederland.
Niet alleen omdat De Nederlandsche Bank (DNB) ook een tot het ESCB aangesloten NCB is (en dus sedert toetreding dezelfde boekhoudkundige prinicpes dient te volgen), maar vooral ook omdat het de NBB zelf is die in haar communicatie aanhaalt dat haar boekhoudkundige verwerking met betrekking tot haar goudvoorraad volledig vergelijkbaar is met die van DNB.
Op deze pagina volgt een feitelijke beschrijving en vergelijking tussen deze twee landen en hun centrale banken, mijn vragen en commentaar worden op de pagina “Standpunten O.R.” geformuleerd.
1) De aanleiding voor deze ingreep van de Wetgever :
Elders op deze pagina werd herhaaldelijk het verband uitgelegd tussen de emissie van bankbiljetten door centrale banken enerzijds en het aanhouden (en belang) van een goudvoorraad anderzijds.
De Nationale Bank van België moest lang een minimale dekking voor haar bankbiljettenvoorraad uitsluitend in goud verzekeren (de “dekkingscoëfficiënt”), De Nederlandsche Bank diende hiertoe het “dekkingsbesluit” te respecteren: minstens 50% van de bankbiljettenomloop aanhouden in goud en deviezen. In de praktijk dekte ook DNB haar bankbiljettenvoorraad hoofdzakelijk in met goud, waardoor de goudvoorraden van zowel NBB als van DNB een gelijklopend ontstaan en verloop kennen.
Op het moment dat het goud zijn centrale rol in het internationale monetaire stelsel verliest, kunnen de centrale banken hun goudvoorraden voortaan vrij verhandelen en deze omzetten naar activa in buitenlandse deviezen. Dit om hogere rendementen te realiseren op hun officiële externe reserves, en ondanks hun bewering dat winstmaximalisatie geen doel op zich is voor centrale banken (ondergeschikt is aan het dienen van het algemeen belang).

Vermits de historische kostprijs van de bestaande goudvoorraden van de centrale banken zich aanzienlijk lager situeerden dan de marktwaarden waartegen deze toen konden worden verkocht, zouden
centrale banken aanzienlijke meerwaarden gaan realiseren op hun volgende goudverkopen.
Belangrijke meerwaarden die in aanmerking zouden komen voor uitkeringen aan de aandeelhouders van de centrale banken , waardoor er onvoldoende (eigen) werkmiddelen zouden resten om te beleggen in activa welke voldeden aan de criteria om te worden ingezet als officiële externe reserves voor het land.
Dergelijke belangrijke uitkeringen zouden de omvang van de officiële externe reserves dus onvermijdelijk aantasten.

Zowel de Belgische als de Nederlandse Wetgevers zagen het grote belang in dat hun centrale bank over belangrijke officiële externe reserves moest blijven beschikken.
Beiden zijn inderdaad kleine open economieën.
Om het hun centrale banken mogelijk te maken:
- een actief beheer te voeren van hun officiële externe reserve-activa,
- waarbij het dus ook mogelijk moest zijn om hun goudvoorraden vrij te kunnen arbitreren tegen andere officiële externe reservebestanddelen,
- zonder dat deze zouden aanleiding (kunnen) geven tot een vermindering van de totale omvang van de officiële externe reserves,
- moest het worden vermeden dat dergelijke transacties aanleiding zouden (kunnen) zijn voor vermogensafdrachten ten laste van de centrale bank.
De logische en eenvoudige oplossing voor dit “probleem”:
dergelijke toekomstige meerwaarden, gerealiseerd op de goudvoorraden van de centrale banken, dienden verplicht aan het kapitaal en de reserves van de centrale bank te worden toegevoegd!
EEN VERPLICHTING TOT RESERVEREN VAN DE MEERWAARDEN OP DE GOUDVOORRAAD !!
2) Op welke manier wordt dit ingevuld door de Wetgevers ?
Een verplichte reservering had de enige bedoeling en gevolg moeten zijn van de ingreep door de Wetgevers.
De werkelijke benadering en de manier waarop deze maatregelen door de beide Wetgevers wettelijk werden uitgewerkt verschilt echter fundamenteel.

” DNB bezit en beheert de nationale reserves. Een deel van de reserves zal worden overgedragen aan de ECB. ” (pagina 6)
” De omzetting van goud in deviezen is een handeling die zich in de vermogenssfeer afspeelt. Het rendement dat op de deviezen behaald wordt maakt evenwel deel uit van de resultatenrekening. ” (pagina 7)
” In overeenstemming met de afspraak tussen de Minister en de Bank van 1978 en de mededelingen aan de Kamer ter gelegenheid van de goudverkoop is met De Nederlandsche Bank afgesproken dat het resultaat van de transactie NIET als winst zal worden beschouwd. ” (pagina 8) en
” mutaties in de waarde van de activa, die plaats vinden in de vermogenssfeer, werken niet door in de winst- en verliesrekening, in tegenstelling tot de opbrengsten van de activa. ”
(pagina 8) en
” De vermogenswinsten worden door de Bank herbelegd. Op deze herbelegging wordt opnieuw een rendement gemaakt. Dit leidt in beginsel tot een hogere winstuitkering van de Bank. “
aangaande een verkoop van goud door De Nederlandsche Bank:

De Nederlandse Wetgever beschouwt:
- de goudvoorraad aldus als toebehorend tot het vermogen van De Nederlandsche Bank,
- en een gerealiseerde meerwaarde als een (onbelaste) vermogensaanwas,
- een arbitrage naar deviezen als een gewone wijziging in de samenstelling van de manier waarop dat vermogen is belegd.
En dat is het ook!
In overeenstemming met deze opvatting worden gerealiseerde meerwaarden op de goudvoorraad toegevoegd aan de (beschikbare) reserves van DNB, en versterken zij op die manier het eigen vermogen van de vennootschap.
De verdere opbrengsten van die gerealiseerde meerwaarden komen via de resultatenrekening in het globale jaarresultaat terecht, en zullen eveneens het eigen vermogen verder versterken, of zullen als vergoeding voor het kapitaal worden uitgekeerd aan de aandeelhouder.

De Gouverneur van de Nationale Bank van België omschrijft het eigendomsrecht van de NBB over de officiële externe reserves van het land als enkel juridisch, “eigenlijk” te beschouwen als zijnde “van fiduciaire aard”.
De NBB heeft de opdracht deze reserves te beheren.
- ” Het behoud van de gerealiseerde meerwaarde op goud, als onderdeel van de externe reserves van het land, houdt NIET in dat de Bank en, in geval zij wordt vereffend, haar aandeelhouders er de economisch rechthebbenden van zouden worden. “
- ” De netto-inkomsten die de Bank verwerft uit de belegging van de gerealiseerde meerwaarde op goud in rentedragende activa, komt De Staat toe. Deze activa worden door de Bank verworven zonder direct verband met haar activiteit inzake uitgifte van bankbiljetten. Er is bijgevolg geen voldoende reden om op deze meerwaarde-activa de forfaitaire inkomstenregel toe te passen … “
- ” … het laatste lid bepaalt uitdrukkelijk dat het saldo van de goudmeerwaarderekening, bij vereffening van de Bank, aan De Staat toekomt. “
Eveneens voldoende belangrijk om de aandacht op te trekken:
- ” De wijzigingen in de Organieke Wet van de Bank zijn door de Regering in nauw overleg met De Bank voorbereid en uitgewerkt. “
- ” Het betreft geen grondige herziening. “
- ” De rechtmatige belangen van de particuliere aandeelhouders van De Bank werden volkomen gerespecteerd. “

Uit dit alles blijkt duidelijk dat:
in totale tegenstelling tot de Nederlandse Wetgever,
die de juiste eigendomsrechten van haar centrale bank over haar eigen activa (wat de goudvoorraad en de overige “officiële externe reserves” zijn) WEL correct onderkent en WEL volledig respecteert,
gingen de Belgische Wetgever en de NBB zelf ervan uit dat de officiële externe reserves van het land eigenlijk de Belgische Staat toebehoren. Of lieten dit minstens op deze manier uitschijnen ten overstaan van de particuliere aandeelhouders.
Hun argumentering is onsamenhangend en totaal tegenstrijdig, en zeker totaal tegengesteld aan de opvattingen van Nederland, alle andere ons omringende landen, en vooral ook het IMF en de BIS.
In ieder geval was het gevolg dat de NBB de onbeschikbare reserverekening op haar balans als een schuld aan De Staat boekte (onder “Overige Passiva”). Immers:
- De Bank was NIET langer “de economisch rechthebbende”: bij haar vereffening zou het bedrag worden uitgekeerd aan De Belgische Staat (de schuldenaar was benoemd, gekend).
- En de verdere opbrengsten van de reserverekening ” hielden geen verband met haar emissie-activiteit ” en zouden haar eigen vermogen dus niet verder versterken. Zij werden voortaan rechtstreeks aan De Belgische Staat uitgekeerd.
Vanaf het moment van deze wettelijke tussenkomst, in nauwe samenwerking tussen NBB en Wetgever tot stand gekomen, moet het duidelijk zijn dat:
De Nationale Bank van België kon, als gevolg van de bepalingen van het Artikel 20bis, haar eigen goudvoorraad niet langer als een volwaardig eigen actief kan beschouwen,
gezien zij ook voor alle verdere opbrengsten (de meerwaarden, en ook alle verdere opbrengsten van hun herbeleggingen) De Belgische Staat als enige economische begunstigde ziet!
Maar zich opnieuw niet consequent toont wat de minwaarden betreft.
De NBB beschouwt haar “onbeschikbare reserverekening” als een volwaardige schuld,
en brengt deze ook op deze manier waarheidsgetrouw tot uiting op haar balans!
Bronnen:
Alvast één volksvertegenwoordiger verdient hier zijn vermelding, weze het postuum. Waarschijnlijk waren er andere die heel goed wisten dat één en ander “niet 100 % rechtvaardig was”:

Eén en ander werd in België over het hoofd gezien.
Heel bewust.