DE ONBESCHIKBARE RESERVEREKENING

Een reserverekening, te beschouwen als een beschikbare of een onbeschikbare reserve, kan enkel zijn plaats vinden in het eigen vermogen van de vennootschap.

Reserves zijn immers gerealiseerde winsten van de onderneming die niet uitgekeerd worden met het oog op de aanwending daarvan als bron van het eigen vermogen van de onderneming.
(K. Van Hulle, N. Lybaert, JP Maes, “Handboek boekhoud- en jaarrekeningenrecht”, 2010 p. 457)

Onbeschikbare reserves zijn, net zoals de beschikbare reserves, opgebouwd uit het eigen vermogen van een vennootschap. Het enige verschil met beschikbare reserves is dat de aandeelhouders enkel mits bijzondere meerderheid over de onbeschikbare reserves kunnen beschikken, zoals wordt omschreven:

” Onbeschikbare reserves zijn aangelegd uit de uitkeerbare winst en “onbeschikbaar” verklaard door een beslissing van de algemene vergadering, de statuten of wettelijke bepalingen. De kwalificatie onbeschikbaar betekent dat de algemene vergadering er niet bij gewone meerderheid kan over beschikken (vb Statutaire onbeschikbare reserve, reserve tot aflossing van het kapitaal, overschot op de kapitaalvermindering tot dekking van een voorzienbaar verlies). ”
C. Chevalier, Vademecum Vennootschapsbelasting, Larcier, Brussel, p 943

 De NBB boekt de meerwaarden op haar goudvoorraad, gerealiseerd naar aanleiding van arbitragetransacties, op een “bijzondere onbeschikbare reserverekening”.

Het is haar standpunt dat de bedragen, ingeschreven in deze onbeschikbare reserverekening, niet tot het eigen vermogen van de vennootschap zouden behoren. M.a.w. dat noch de NBB zelf, noch haar aandeelhouders, er de economisch rechthebbenden van kunnen zijn of worden (vb. bij de vereffening van de vennootschap).

Indien er echter minderwaarden moeten worden geboekt op de activa in goud, gerealiseerde of niet, dan past de NBB de volgende regelgeving toe:

  • in eerste instantie worden de minderwaarden gecompenseerd met de beschikbare tegoeden op de onbeschikbare reserverekening,

  • voor zover deze compensatie ontoereikend is wordt de minwaarde in compensatie gebracht met de positieve resultaten van het lopende boekjaar, zo deze winsten er zijn,

  • in de mate de minwaarde het positieve resultaat van de werking van de NBB van het lopend jaar overschrijden, zal de verrekening gebeuren met het eigen vermogen van de NBB.

De compensatie via zowel de jaarwinsten als via het eigen vermogen gebeurt dan wel met vermogen toebehorend aan de aandeelhouders.
Daarenboven is het zo dat, mochten de minwaarden het eigen vermogen van de vennootschap en haar aandeelhouders overtreffen, diezelfde aandeelhouders zullen worden aangesproken om de tekorten bij te passen (vb. via een bijkomende kapitaalsinbreng).

Dit toont aan dat het niet anders kan dan dat de gerealiseerde meerwaarden, geboekt in de onbeschikbare reserverekening, bij gebreke aan andersluidende wettelijke specificaties , ook toekomt aan het eigen vermogen van de NBB.

In de Statuten noch in de Organieke Wet werd ook maar één artikel opgenomen dat uitdrukkelijk aangeeft dat de NBB noch haar aandeelhouders NIET de economisch rechthebbenden van de goudmeerwaarden zijn.

Deze goudmeerwaarden zijn dus wel degelijk tot het eigen vermogen van de NBB toe te rekenen.


DE OORSPRONG VAN “DE BIJZONDERE ONBESCHIKBARE RESERVEREKENING”: 

  1. Zoals overal ter wereld heeft men in België, sedert de oprichting van de NBB, nagenoeg altijd een monetair stelsel van nationale valuta’s gekend die in goud converteerbaar waren (of waarvan de “externe waarde” werd bepaald in verhouding tot het goud);

  2. In dergelijk stelsel was de goudprijs, uitgedrukt in de nationale munteenheid (onze belgische frank), constant;

  3. De goudprijs werd enkel gewijzigd naar aanleiding van een bij wet doorgevoerde DEVALUATIE of REVALUATIE;

  4. In een dergelijk stelsel gaven de goudtransacties van een centrale bank geen aanleiding tot de realisatie van meer- of minwaarden;

  5. Enkel een devaluatie gaf, voor de centrale bank, aanleiding tot een boekhoudkundige meerwaarde op goud.

  6. Dergelijke devaluaties waren het gevolg van een tussenkomst van de Wetgever,

  7. en diezelfde Wetgever bepaalde telkens dat de hieruit voortvloeiende meerwaarde op de goudvoorraad van de Nationale Bank van België de Belgische Staat toekwam !! Deze diende de overeenstemmende bedragen daadwerkelijk in de Schatkist te storten.

Voorgaande is gewoon onderdeel van onze monetaire geschiedenis, zoals zij uitvoerig en onweerlegbaar is beschreven. En wat het herschrijven ervan zo moeilijk maakt.
Immers, wat eveneens beschreven staat:

BRON:  De uiteenzetting van de Gouverneur op de buitengewone Algemene Vergadering van aandeelhouders van 19 december 1988 (wijziging van de Statuten): 

  • ” In ons land heerste bijgevolg een wetgevende gewoonte volgens welke de meerwaarden op de goudvoorraad van de Bank de Belgische Staat toekomen.”
    en
  • Het verdwijnen van een op goudpariteiten gestoeld internationaal monetair stelsel heeft ertoe geleid dat de prijs van het goud, zoals die van koopwaar, is gaan schommelen afhankelijk van de marktomstandigheden.
    Een aangepaste wettelijke regeling voor de door de Bank bij goudtransacties gerealiseerde waardeverschillen was derhalve noodzakelijk. “ 

Of, vrij vertaald:
“De Belgische Staat was vroeger verantwoordelijk voor het monetair beleid, en was het gewoon om zich bij Wet de meerwaarden op de goudvoorraad (eigendom van de Bank) toe te eigenen. Op zich kan het dus geen verschil uitmaken dat we deze toestand voor altijd verankeren.”

Met deze “kritische ingesteldheid” zijn de toenmalige verantwoordelijken van onze centrale bank akkoord gegaan om in 1989 de Organieke Wet te laten aanpassen, waarbij het Artikel 20bis werd ingevoerd.

HET ARTIKEL 20BIS:

  • de meerwaarde die door de Bank wordt gerealiseerd naar aanleiding van arbitragetransacties van activa in goud tegen andere externe reservebestanddelen wordt geboekt op een bijzondere onbeschikbare reserverekening. Zij is vrijgesteld van alle belasting;

  • in geval evenwel sommige externe reservebestanddelen worden gearbitrageerd tegen goud, wordt het verschil tussen de verkrijgingsprijs van dat goud en de gemiddelde verkrijgingsprijs van de bestaande goudvoorraad in mindering gebracht van het bedrag van die bijzondere rekening;

  • de netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van de in het eerste lid bedoelde meerwaarde wordt aan de Staat toegekend;

  • bij vereffening van de Bank wordt het saldo van de bijzondere reserverekening bedoeld in het eerste lid, toegekend aan de Staat.

In de tekst werden de naar inhoud belangrijkste passages in fluogeel gemarkeerd. Ik trek hier de aandacht op:

  • “de NBB is en blijft de eigenaar (in de juridische betekenis van dit begrip) van de externe reserves van het land, en heeft de opdracht deze reserves te beheren”,
  • “.. De meerwaarde die de Bank bij arbitragetransacties van goud tegen deviezen zou realiseren, zal bijgevolg geen aanleiding mogen geven tot vermogensoverdrachten ten laste van de Bank ..”
  • “Deze activa worden door de Bank verworven zonder direct verband met haar activiteit inzake uitgifte van bankbiljetten.”
    (mijn vraag: “en is op zich dus ongetwijfeld een reden om – de opbrengsten van – die activa aan het eigen vermogen van de vennootschap te onttrekken?”)
  • “Het behoud van de gerealiseerde meerwaarden op goud, …, houdt niet in dat de Bank, en, in geval zij wordt vereffend, haar aandeelhouders er de economische rechthebbenden van zouden worden. In geval de Bank wordt vereffend komt het saldo van de reserverekening der gerealiseerde meerwaarde op goud de Staat toe, tenzij uiteraard de wetgever er een andere bestemming aan zou geven.” (zal elders worden behandeld)
  • en verder nog:
    • “de wijzigingen in de Organieke Wet van de Bank zijn door de Bank en door de Regering “in nauw overleg” voorbereid en uitgewerkt”;
    • “het betreft geen grondige herziening”,
    • “de rechtmatige belangen van de particuliere aandeelhouders van de Bank worden volkomen geëerbiedigd”

OP BASIS VAN DEZE ARGUMENTERING WERDEN, IN TOTAAL GEWIJZIGDE MONETAIRE OMSTANDIGHEDEN,

  1. de bepalingen van het Artikel 20bis ingevoerd,
  2. de opvatting gelanceerd dat de goudvoorraad van de NBB “in feite” de Belgische Staat toebehoorde,
  3. werden de gerealiseerde meerwaarden op goud voortaan geboekt op een onbeschikbare reserverekening,
  4. welke, door de bepalingen van het Artikel 20bis, door NBB werd erkend en aanvaard als een uitgestelde schuld aan de Belgische Staat,
  5. en op haar balans dus niet als een rubriek van het eigen vermogen werd geboekt doch wel onder “Overige schulden” werd opgenomen,
  6. waardoor tot uiting werd gebracht dat de aandeelhouders, maar in de feiten ook de NBB zelf, geen enkel eigendomsrecht meer konden laten gelden op dit vermogensbestanddeel.

In een afzonderlijke pagina wordt hieromtrent een Noodzakelijke vergelijking gemaakt, om één en ander correct te kunnen kaderen.
Om het verhaal van de NBB niet zomaar te moeten volgen wanneer zij stelt te handelen op dezelfde manier dat alle andere nationale centrale banken dit doen !

quidproquo

Het invoeren van het Artikel 20bis had heel ingrijpende gevolgen op de eigendomsrechten van zowel de vennootschap NBB zelf, als van haar particuliere aandeelhouders. Onbegrijpelijk dat de bestuurders van de NBB deze bepalingen zo maar hebben aanvaard.
Tot op het moment van deze invoering had de vennootschap NBB een beperkte levensduur, welke op vervaldag telkens diende verlengd te worden door de Wetgever. In 1989, bij deze zelfde gelegenheid, werd deze beperking in levensduur opgeheven en voortaan voor onbeperkte duur verlengd.
Voor wat, hoort wat?

Deze toestand (het Artikel 20bis) blijft behouden tot de oprichting van het ESCB, waardoor opnieuw voorbereidend wetgevend werk nodig is en de Organieke Wet in 1998 opnieuw dient te worden aangepast.

Hiertoe werd de bestaande Organieke Wet door de toenmalige regering ter goedkeuring ingestuurd.
Dus met de integrale tekst van het Artikel 20bis. We stellen echter vast dat:

Bij de aanpassing van de Organieke Wet in 1998 werd het Artikel 20bis geschrapt, en vervangen door het huidige Artikel 30.

warning_orig

  • Alle bepalingen van het toenmalige Artikel 20bis bleven nagenoeg integraal behouden. Met uitzondering van de clausule welke de bestemming (en eigendomsrecht) van de onbeschikbare reserverekening regelde !!

  • De regels om bepaalde bepalingen uit het Artikel 30 uit te voeren, zouden worden vastgelegd in “overeenkomsten tussen de Staat en de NBB”, welke verplicht dienden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad,

  • Deze overeenkomst (van 30 juni 2005) maakt geen enkele melding, herneemt op geen enkele manier de eerdere bestemming welke aan de onbeschikbare reserverekening sedert 1989 werd gegeven.

In alle stilte werd dus de bepaling geschrapt dat de gerealiseerde meerwaarden op de goudvoorraad, geboekt in een onbeschikbare reserverekening van de NBB,
bij vereffening van de Nationale Bank aan de Belgische Staat toekomen.

Logische vragen hierbij:

  • WAAROM ??     
  • OP WIENS AANGEVEN ??
  • OMDAT DEZE BEPALING VOOR DE ECB TOTAAL MISPLAATST WAS  ??
  • WANNEER HET ARTIKEL 20BIS (IN 1989) IN NAUWE SAMENWERKING TUSSEN DE WETGEVER EN ONZE CENTRALE BANKIER TOT STAND IS GEKOMEN, MOET HET RESULTAAT ZEKER NAAR IEDERS WENS (EN CORRECT) ZIJN GEWEEST?
    DE EIGENDOMSRECHTEN WAREN OP DIE MANIER IN IEDER GEVAL DUIDELIJK GEREGELD.
    WAAROM WERD DEZE DUIDELIJKHEID NU OPNIEUW WEG GENOMEN? 
  • WAAROM WERD DE EERSTE OVEREENKOMST PAS OP 30/06/2005 OPGEMAAKT EN GEPUBLICEERD ??

 GEVOLGEN VAN DE INVOERING VAN DEZE WETTELIJKE INGREPEN:

  • door de bepalingen van het Artikel 20bis kan de NBB de meerwaarden op haar goudvoorraad, gerealiseerd of niet, niet langer als eigen vermogen beschouwen:

    • hetgeen ook haar uitdrukkelijke bedoeling was, gezien haar stelling dat “haar goudvoorraad eigenlijk de Belgische Staat toebehoorde”;

    • de onbeschikbare reserverekening is een volwaardige (uitgestelde) schuld, betreft werkelijk een component van het vreemd vermogen voor de NBB,

    • de schuldeiser is gekend: de Belgische Staat, die bij vereffening van de NBB de uitstaande bedragen zal ontvangen en in afwachting de opbrengsten van deze rekening zal ontvangen,

    • door andere bepalingen kan de NBB niet over de gerealiseerde meerwaarden beschikken om verliezen (andere dan deze met betrekking tot haar goudvoorraad) op te vangen.

  • door het schrappen van het Artikel 20bis en de vervanging ervan door het Artikel 30, valt een essentieel element weg:

    • er is geen schuldeiser: haar Organieke Wet, noch haar Statuten geven ook maar enige aanduiding aan wie de bedragen, ingeschreven op deze onbeschikbare reserverekening, zouden moeten toekomen,

    • aan wie anders dan de vennootschap zelf zouden deze meerwaarden dan moeten toekomen?

    • de NBB toont de ongerealiseerde meerwaarden op haar goudvoorraad ook als haar toebehorend. Het eenvoudige feit van de effectieve realisatie kan hier niets aan veranderen?

  • Deze (gecoördineerde) ingrepen van de Wetgever (met het bestuur van de NBB) zijn er de oorzaak van dat de balans van de NBB onmogelijk een waarheidsgetrouw beeld kan geven van het (eigen) vermogen van de Nationale Bank van België.

    Dit waarheidsgetrouw beeld zal telkens in het gedrang komen als men de economische realiteit niet meer volgt, of wil knoeien met de geldende boekhoudregels en -principes.
    In dat opzicht is boekhouding onverbiddelijk, laat het weinig ruimte voor de fantasie. Toch als de feiten ook zo duidelijk en onweerlegbaar beschreven staan in onze monetaire geschiedenis.



 

%d bloggers liken dit: