STANDPUNTEN ONBESCHIKBARE RESERVE

Als gevolg van het invoeren van het Artikel 20bis, het schrappen en de vervanging ervan door het huidige Artikel 30, werd het de Nationale Bank van België onmogelijk gemaakt:

  1. een balans op te maken welke een waarheidsgetrouw en transparant beeld geeft van haar eigen vennootschapsvermogen,

  2. hoe de vermogensrechten van haarzelf en haar aandeelhouders daarbij liggen.

Wanneer de Wetgever verder tussenkomt en via “lex specialis” beslag legt op belangrijke gerealiseerde meerwaarden op haar goudvoorraad, komt zij in een onmogelijke situatie terecht. Deze problemen worden onoverkomelijk wanneer zij zich, als lid van het Europees Stelsel van Centrale Banken, dient te conformeren naar de boekhoudprincipes van de ECB welke vervat zijn in haar Richtsnoeren.

Jarenlang (tot in de rechtszaal toe) enerzijds het verhaal blijven brengen dat de goudvoorraad “eigenlijk” de Belgische Staat zou toebehoren, maar tegelijkertijd “in de feiten” tot haar (eigen) vermogen dient te worden gerekend, kan onmogelijk worden volgehouden.

Zelfs met het trackrecord, de deskundigheid terzake en de onbetwistbare macht van de NBB moet men beseffen dat dit een onmogelijke opdracht zal blijken te zijn!

Stand van zaken:

In haar eerste conclusie in Eerste Aanleg geeft de Nationale Bank van België, alvast anders dan voorheen, volgende eerste expliciete erkenning:

– Punt 30: “Deze wettelijke servitude doet niets af aan het feit dat de goudreserves wel degelijk de juridische eigendom zijn van de Nationale Bank.”
– En nog: “… vallen voornoemde goud- en deviezenreserves onder het autonoom beheer van de Nationale Bank en zijn de prijs- en wisselkoersrisico’s van dien voor haar eigen rekening.
Hetgeen aansluit bij haar bewering “eigenaar van haar goudvoorraad te zijn in de betekenis van het burgerlijk wetboek”.

– Punt 32: “Zolang de Wetgever aan die meerwaarden geen bijzondere bestemming van algemeen belang heeft gegeven, blijven die meerwaarden evenwel tot het vermogen van de Nationale Bank behoren en zijn zij derhalve geenszins een schuld aan de Staat.”
– Punt 34: “… het feit dat, zolang de wetgever niet specifiek is tussengekomen, de gerealiseerde meerwaarden op goudreserves in het vermogen van de Nationale Bank blijven en niet kunnen worden beschouwd als een schuld aan de Staat.”

De NBB erkende vooreerst formeel dat de zij de eigenaar is van de goudvoorraad.
Zij stelt aldus dat de gerealiseerde meerwaarden, ondanks boeking op een rekening “Overige passiva” (een rekening die uiting geeft aan een schuld), geenszins beschouwd kunnen worden als een schuld t.o.v. de Belgische Staat, doch wel als behorende tot het vermogen van de NBB.

a. Boeking gerealiseerde meerwaarden onder een verkeerde rubriek van de jaarrekening van de NBB

Overeenkomstig artikel 30 Organieke wet dient bij de effectieve realisatie van een meerwaarde naar aanleiding van arbitrageverrichtingen van activa in goud tegen andere externe reservebestanddelen, deze te worden geboekt op een bijzondere onbeschikbare reserverekening.

In de jaarrekening van de NBB vinden we deze “bijzondere onbeschikbare reserverekening” terug onder rubriek 10 “Overige passiva”, waardoor dient vastgesteld te worden dat de bedoelde “bijzondere onbeschikbare reserverekening” lijkt opgenomen te zijn als een schuld en aldus getoond wordt als geen deel uitmakend van het eigen vermogen van de NBB.

Bijlage III bij het Richtsnoer ECB/2010/20 bepaalt in de “verklarende begrippenlijst” het volgende:
“Passiva: huidige verplichting van de onderneming die is ontstaan uit gebeurtenissen in het verleden, waarvan de vereffening naar verwachting zal leiden tot een uitstroom van middelen die economische baten vertegenwoordigen”
Dit illustreert te meer dat mogelijk toekomstige wetgeving, evenmin als het vennootschapsdoel, als dusdanig geen verantwoording kunnen vormen voor de boeking onder “overige passiva”, vermits deze niet kunnen gekwalificeerd worden als “gebeurtenissen in het verleden”.
De analyse hiervan toont glashelder aan dat een potentiële toekomstige verplichting om het goud en de meerwaarden aan de federale overheid, of aan een onbekende bestemming, te zullen moeten betalen, omdat er mogelijk in de toekomst terzake een wettelijke ingreep zal zijn, alvast niet aan de voorwaarden beantwoordt om het goud en de meerwaarden te boeken onder de “overige passiva”.
De redenen hiervoor zijn meervoudig:
  • Het gaat niet over een “huidige verplichting van de onderneming”, maar over een mogelijk toekomstige wetgevende ingreep
  • Een dergelijke wetgevende ingreep situeert zich onbetwistbaar in de toekomst, terwijl het blijkens voormelde definitie dient te gaan over “gebeurtenissen in het verleden”.
  • Het handelt over “een uitstroom van middelen die economische baten vertegenwoordigen”. Dergelijke economische baten zijn voor de vennootschap zoek, minstens in het heden niet bepaalbaar omdat de tekst van de wet niet gekend is of kan zijn.

De NBB stelt thans in haar conclusies dat deze bijzondere onbeschikbare reserverekening wel degelijk deel blijft uitmaken van haar vermogen, zolang de wetgever aan die meerwaarden geen bijzondere bestemming van algemeen belang heeft gegeven.

De NBB speelt met woorden, door te onderstrepen dat de aanwending van het begrip “vermogen” niet kan gelijkgesteld worden met “eigen vermogen”, terwijl de assimilatie van deze begrippen in de spreektaal althans regel is.
Vermogen is een synoniem van eigen vermogen, behoudens indien het expressis verbis gekwalificeerd wordt als vreemd vermogen.

De NBB erkent weliswaar dat de bijzondere onbeschikbare reserverekening tot “haar vermogen” behoort, doch geeft gelijktijdig blijk van het bestaan van een schuld van de NBB omwille van de boeking van deze onbeschikbare reserverekening onder de rubriek 10 “Overige passiva”…
Een eenvoudige vergelijking met de rapportering van de ECB en andere NCB’s leert dat deze balansrubriek NOOIT tot het eigen vermogen wordt gerekend, altijd onderdeel is van het vreemd vermogen.

Bij gebreke aan wetgeving, die een overheveling of onteigening ten behoeve van de federale overheid bepaalt, is er geen schuldeiser, behoort de onbeschikbare reserverekening derhalve niet tot het vreemd vermogen, en aldus ipso facto tot het eigen vermogen.

Aldus vindt deze reserve haar plaats in de jaarrekening als onderdeel van het eigen vermogen van de NBB, zij het onder een afzonderlijke (nieuwe) rubriek: bvb. “13.4 Onbeschikbare reserve”.
Het betreft immers geen beschikbare reserve (rubriek 13.3) en het kan ook niet behoren tot het Reservefonds (rubriek 13.2) aangezien dit Reservefonds bij het verstrijken van het emissierecht vereffend dient te worden (en voor 1/5 prioritair aan de Belgische Staat in haar hoedanigheid van Soevereine Staat toekomt), en dit niet overeenkomt met de bestemming van de “bijzondere onbeschikbare reserverekening”.

Door deze onbeschikbare reserverekening in haar jaarrekening niet weer te geven als eigen vermogen, schendt de NBB dan ook alvast Artikel 3 van het Richtsnoer van de ECB.

Artikel 3 van het Richtsnoer bevat de specifieke “Uitgangspunten inzake de financiële informatie” alwaar elke Europese Nationale Centrale Bank zich naar dient te conformeren:

(…)
b) voorzichtigheidsbeginsel: (…) Stille reserves of het opzettelijk onjuist weergeven van posten op de balans en winst- en verliesrekening zijn onverenigbaar met het voorzichtigheidsbeginsel. (…)

b. De wettelijke verantwoording in artikel 30 Organieke Wet NBB is opgeheven!

Voorheen kon de NBB zich beroepen op de wettelijke verantwoording in artikel 20bis Organieke wet (23 december 1988):
“Bij de vereffening van de bank wordt het saldo van de bijzondere onbeschikbare reserverekening bedoeld in het eerste lid, toegekend aan de Staat.”

Op dat ogenblik was er een wettelijke verantwoording om het goud en de meerwaarden inderdaad toe te wijzen aan de Federale overheid, hoe ongerechtvaardigd dit ook was, ten opzichte van de aandeelhouders.
Echter, naar aanleiding van de invoering van de EURO, en de Europese context, was de federale overheid genoodzaakt dit artikel te wijzigen zoals blijkt uit het Wetsontwerp tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België dd. 4 juni 1997. De organieke wet dd. 22 februari 1998 bevat deze tekst van Artikel 20bis niet meer, noch een gelijkaardige regel in Artikel 30. Evenmin is er, voor zover dit al zou kunnen, enige overeenkomst tussen de Belgische Staat en de NBB terzake. (zie artikel 30 Organieke wet)

De wijziging van Artikel 30 werd geruisloos doorgevoerd, zonder dat de commentatoren en/of de media de relevantie hiervan hadden waargenomen. De invloed van de EU en de ECB kan meer dan worden verondersteld, waardoor dus een einde werd gesteld aan deze draconische wetsbepaling.
Dit blijkt ook duidelijk uit de voorbereidende werken van de Wet van 1998.

De Staat is dus geen schuldeiser meer van de gerealiseerde meerwaarde, weze het onder opschortende voorwaarde van de vereffening…
Neen, de gerealiseerde meerwaarde behoort vanaf dat ogenblik duidelijk tot het eigen vermogen van de bank.

c. Noodzakelijke toelichting door de NBB

Aldus wordt vastgesteld dat, niettegenstaande de afwezigheid van enige wettelijke basis, de gerealiseerde meerwaarden niet als eigen vermogen worden weergegeven, terwijl de niet-gerealiseerde meerwaarden wel als eigen vermogen worden weergegeven.

Voor deze tegenstelling kan er geen redelijke verklaring bestaan.
Weliswaar is er een beschikkingsbeperking aan de eigendom van de gerealiseerde meerwaarde op basis van artikel 30, lid 1 en lid 2. Immers, als de NBB goud ARBITREERT (naar andere “officiële externe reserve”-activa) en hierbij een meerwaarde realiseert, dan:
1. Gaat deze meerwaarde (belastingvrij) naar een “bijzondere onbeschikbare reserverekening” waardoor deze meerwaarde niet gebruikt kan worden om een verlies aan te zuiveren (artikel 30, lid 1 Organieke Wet);
2. Wordt de netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van die meerwaarden, toegekend aan de Belgische Staat (artikel 30, lid 2 Organieke Wet).

Deze aanwendingsbeperkingen zijn echter geen argument om het goud en de meerwaarden al dan niet tot het eigen vermogen te rekenen.
Het is eenvoudigweg eigen vermogen.

Inderdaad:
1. De gerealiseerde meerwaarde kan weliswaar niet aangewend worden om vennootschapsverliezen aan te zuiveren. De tekst van het eerste lid van artikel 30 voorziet evenwel dat de meerwaarde op goudtransacties gebruikt kunnen worden om bepaalde waardeverminderingen op andere arbitrageverrichtingen tegen goud te dekken.
De resultaten “mogen in mindering worden gebracht van het bedrag van die bijzondere rekening”. De reserve is dus functioneel, hetgeen geenszins uitzonderlijk is, en blijft tot het eigen vermogen behoren;
2. De netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van die meerwaarde, worden toegekend aan de Belgische Staat (artikel 30, lid 2 Organieke Wet)
Opgelet, deze tekst viseert niet een toekenning van het goud en de meerwaarde aan de Belgische Staat. Deze tekst viseert enkel “de netto-opbrengst van de activa….”, hetgeen vergelijkbaar is met interesten. Het kapitaal, in casu het goud en de meerwaarden, wordt door deze wettelijke bepaling in genen dele getroffen.

Echter, als de NBB goud verkoopt of herwaardeert en hierbij een minwaarde boekt, dan:
1. wordt deze minwaarde in mindering gebracht van een eventueel beschikbaar saldo in deze “bijzondere onbeschikbare reserverekening” (artikel 30, lid 1 Organieke Wet) en;
2. wordt het verlies bij afwezigheid van dergelijk (toereikend) saldo verwerkt via de resultatenrekening en dus gedragen door alle aandeelhouders, inclusief de 50% particuliere aandeelhouders.

Over de kwalificatie als eigen vermogen kan geen twijfel bestaan.


 

simpelbank


 

%d bloggers liken dit: