ACTIE FINANCIËLE INFORMATIE

De van toepassing zijnde regelgeving inzake de financiële verslaggeving van de NBB:

 

statutesandrules-bg

1) De opmaak van de rekeningen van de NBB is onderworpen aan artikel 33 van de Organieke wet:

“De rekeningen en, in voorkomend geval, de geconsolideerde rekeningen van de Bank worden opgemaakt :
      • overeenkomstig deze wet en de bindende regels vastgesteld met toepassing van artikel 26.4 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank ;
      • voor het overige overeenkomstig de regels vastgesteld door de Regentenraad.
        De artikelen 2 tot 4, 6 tot 9 en 16 van de wet van 17 juli 1975 betreffende de boekhouding van de ondernemingen en de besluiten genomen ter uitvoering ervan zijn van toepassing op de Bank met uitzondering van de besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 4, zesde lid, en 9, § 2.”
Bij lezing van deze wettekst blijkt meteen dat er een hiërarchie is ingebouwd tussen de bepalingen, die genoemd zijn sub 1°, en deze vermeld onder sub 2°.

2) Verplichting tot correcte en transparante informatieverschaffing is van openbare orde:

transparantie

  • Het recht van elke aandeelhouder op een jaarrekening die een getrouw, nauwkeurig en oprecht beeld geeft, is onbetwistbaar.

Hoewel de wijze waarop de NBB aan deze verplichtingen dient te voldoen, afwijkt van de wijze waarop andere vennootschappen hieraan dienen te voldoen, blijven de vereisten van kwaliteit van de te verstrekken financiële informatie voor elke vennootschap, inclusief de NBB, dezelfde:

“Comment encore s’opposer à la reconnaissance d’un droit subjectif de l’actionnaire à disposer de comptes annuels qui offrent une image fidèle de la situation comptable de la société concernée?” of
“Hoe zou men nog steeds het bestaan van een subjectief recht van de aandeelhouder kunnen betwisten om over een jaarrekening te beschikken die een getrouw beeld van de financiële positie van de betrokken vennootschap geeft?”
(M. FYON, “Portée, limites et sanctions des droits subjectifs des actionnaires à l’obtention de certaines informations spécifiquement définies par le législateur”, in X., Preuve et information dans la vie des sociétés, Larcier, Brussel, 2010, p. 233)
  • Niet enkel de wetgever, maar ook de rechtspraak hecht een bijzonder belang aan het beschermen van beleggers door middel van een correcte en transparante informatieverschaffing. Zelfs in die mate dat wordt aanvaard dat deze bepalingen van openbare orde zijn. Het Hof van Cassatie bevestigt dit openbare orde-karakter:

“Overwegende dat de wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van samenleving berust, van openbare orde is;
Overwegende dat artikel 41, alinea 1, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 de in artikel 15 van de wet van 2 maart 1989 uitgedrukte wil van de wetgever weergeeft om de informatieverstrekking en de gelijke behandeling van de houders van effecten te verzekeren, hun belangen veilig te stellen en de goede werking van de markt te bevorderen; dat uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de gelijkheid van de aandeelhouders nauw samenhangt met een organisatie van de geldmarkten die het vertrouwen van de spaarders wekt;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat de voormelde bepalingen “een politiereglement van de economie uitmaken inzake openbaar overnameaanbod en wijziging in de controle op vennootschappen die een openbaar beroep doen of hebben gedaan op het spaarwezen (…) dat tot doel heeft de goede werking van de markt – en, derhalve, van ’s lands economie – te bevorderen, wat impliceert dat de houders van effecten zowel door de regels van transparantie en informatieverstrekking als door de eerbiediging van het beginsel van gelijkheid van de aandeelhouders worden beschermd”;
Overwegende dat het arrest, op grond van die overwegingen, naar recht beslist dat artikel 41, alinea 1, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 van openbare orde is”.
(Eigen benadrukking, Cass. 10 maart 1994, Arr.Cass 1994, 236)
  • Recentelijk heeft het Hof van Cassatie dit herbevestigd in haar arrest van 29 april 2011:

“De in deze bepalingen uitgedrukte wil van de wetgever om de informatieverstrekking en de belangen van de potentiële verwervers van effecten veilig te stellen, strekken eveneens ertoe om de goede werking van de markt te verzekeren en te bevorderen en hangen nauw samen met een organisatie van de effectenmarkt die het vertrouwen van de spaarders wekt.
Aldus betreffen zij de economische grondslagen van de maatschappij en raken zij de openbare orde.”
(Eigen benadrukking, Cass. 29 april 2011, http://www.cass.be)
Om dit principe ook intern bij de NBB te bewerkstelligen heeft de Regentenraad in het reglement van het Auditcomité (d.i. het College van Censoren in hun hoedanigheid van Auditcomité – art. 21, 2° Organieke wet) volgend artikel 2.3 opgenomen:
“Het auditcomité beoordeelt de nauwkeurigheid, de volledigheid en het consequente karakter van de financiële informatie.”

Jaarverslag-Nationale-Bank

3) Europeesrechtelijke regels met betrekking tot de jaarrekening als getrouw beeld van de financiële situatie van de vennootschap:

Artikel 131 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (het VWEU), schrijft voor:

“Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Verdragen en met de statuten van het ECSB en de ECB.”

De alles-overkoepelende waarheid is aldus dat de jaarrekening een juiste en transparante weergave van de financiële en economische realiteit dient te geven op basis van de hierna-volgende Europeesrechtelijke regels.

 

3.1) Richtsnoer van de ECB van 11 november 2010 betreffende het juridische kader ten behoeve van de financiële administratie en verslaglegging in het Europees Stelsel van Centrale Banken

  • Deze Richtsnoer is van toepassing op de ECB, alsook op alle nationale centrale banken, waaronder de NBB. In deze richtsnoer wordt benadrukt dat financiële verslaggeving de realiteit dient te weerspiegelen en bovendien transparant en betrouwbaar dient te zijn.

    Artikel 3 van het Richtsnoer bevat de specifieke “Uitgangspunten inzake de financiële informatie” alwaar elke Europese Nationale Bank zich naar dient te conformeren:

“De volgende uitgangspunten inzake de financiële administratie zijn van toepassing:
a) economische realiteit en transparantie: de methoden van administreren en de financiële verslaglegging weerspiegelen de economische realiteit, zij zijn transparant en voldoen aan de gestelde eisen van inzichtelijkheid, relevantie, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid. Transacties worden geboekt en weergegeven rekening houdend met hun inhoud en economische realiteit en niet uitsluitend met inachtneming van hun juridische vorm;
b) voorzichtigheidsbeginsel: bij de waardering van activa en passiva en de verant-woording van baten en lasten dient het voorzichtigheidsbeginsel te worden toegepast. (…) Stille reserves of het opzettelijk onjuist weergeven van posten op de balans en winst-en-verliesrekening zijn onverenigbaar met het voorzichtigheidsbeginsel. (…)
c) materialiteitsbeginsel: afwijkingen van de regels van financiële administratie, met in-begrip van die welke een invloed hebben op de berekening van de winst-en-verliesrekeningen van de afzonderlijke NCB’s en van de ECB, zijn alleen toegestaan, indien ze redelijkerwijs als niet relevant mogen worden beschouwd in de algehele context en presentatie van de financiële rekeningen van de rapporterende instelling; (…)”
(eigen benadrukking)
  • Het belang van de transparantie van de jaarrekening werd bovendien door de ECB meermaals bij andere aangelegenheden benadrukt. Dit blijkt ten eerste duidelijk uit de speeches die werden gegeven tijdens de ECB-Conferentie dd. 3 juni 2014 inzake de boekhouding, financiële rapportering en corporate governance van centrale banken. De vice-president van de Europese Centrale Bank, Dhr. Vitor CONSTÂNCIO benadrukte tijdens deze conferentie onder meer het volgende:

“The ECB supports the establishment of a single set of global accounting and financial reporting standards. This is vital for the sake of consistency, comparability and thus transparency.”
Vertaald: “De ECB ondersteunt de ontwikkeling van een geheel van globale boekhoudkundige en financiële rapporteringsstandaarden. Dit is essentieel voor de consistentie, vergelijkbaarheid en dus transparantie.”
Verder:
“There is an increasing worldwide demand for transparency to be strengthened.”
Vertaald: “Er is een wereldwijde toenemende vraag naar versterkte transparantie”.
“Both accounting and governance frameworks remain key components when it comes to the understanding of central bank’s financial situation, and we should all aim at applying these frameworks in order to make our positions as clear and understandable as possible to our numerous stakeholders.
”Vertaald: “Zowel boekhoudkundige – als beleidskaders blijven hoofdcomponenten om de financiële positie van een centrale bank te verstaan, en we moeten er allen  naar streven om deze op dergelijke manier toe te passen die onze posities zo duidelijk en begrijpbaar mogelijk te maken voor onze verschillende stakeholders.
  • De bindende werking van het Richtsnoer:

Het richtsnoer is de naam van het besluit waarin de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank haar beleid operationaliseert. De bevoegdheid van de Raad van Bestuur van de ECB is vermeld in artikel 12.1 van het Vierde Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna “Vierde Protocol”).
Het artikel 12.1 luidt :

“De Raad van bestuur stelt de richtsnoeren vast en neemt de besluiten die nodig zijn voor het vervullen van de bij de Verdragen en deze statuten aan het ESCB opgedragen taken. De Raad van bestuur formuleert het monetair beleid van de Unie, in voorkomend geval met inbegrip van besluiten met betrekking tot intermediaire monetaire doelstellingen, de belangrijkste rentetarieven en de liquiditeitsvoorziening in het ESCB, en stelt de nodige richtsnoeren op voor de uitvoering ervan.”

Het Richtsnoer is de nadere invulling van de opdracht die het ESCB en de ECB hebben gekregen in artikel 132 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zelf (waarvan een parallelle bepaling in artikel 34 van het Vierde protocol):

“Ter uitvoering van de aan het ESCB opgedragen taken, zal de Europese Centrale Bank, overeenkomstig het bepaalde in de Verdragen en onder de voorwaarden van de statuten van het ESCB en van de ECB:
– verordeningen vaststellen voor zover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3.1, eerste streepje, artikel 19.1, artikel 22 of artikel 25.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel 129, lid 4, bedoelde besluiten van de Raad;
– de besluiten geven die nodig zijn voor de uitvoering van de bij de Verdragen en de statuten van het ESCB en van de ECB aan het ESCB opgedragen taken;
– aanbevelingen doen en adviezen uitbrengen.”

De bindende werking van dit Richtsnoer voor de NBB blijkt uit:

i) artikel 14.3 van het Vierde Protocol:
De nationale centrale banken maken een integrerend deel uit van het ESCB en handelen in overeenstemming met de richtsnoeren en instructies van de ECB. De Raad van bestuur neemt de nodige maatregelen teneinde te verzekeren dat aan de richtsnoeren en instructies van de ECB wordt voldaan, en eist dat hem alle benodigde informatie wordt verstrekt.”

ii. Artikel 2.2 van deze Richtsnoer stelt: “omwille van consistentie en vergelijkbaarheid tussen het Eurosysteem en de nationale stelsels, is het aanbevolen dat de Nationale Centrale Banken voor zover mogelijk voor hun nationale rapportage en financiële rekeningen de in dit Richtsnoer gestipuleerde regels volgen”.

Volledigheidshalve: in onze zaak toont de NBB niet aan dat haar rapportering in het kader van het Eurosysteem wel transparant zou zijn.

iii) artikel 33 Organieke Wet van de NBB:

“De rekeningen en, in voorkomend geval, de geconsolideerde rekeningen van de Bank worden opgemaakt :
1° overeenkomstig deze wet en de bindende regels vastgesteld met toepassing van artikel 26.4 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank”

Zoals in het vorig randnummer toegelicht, volgt uit artikel 12.1 van het Vierde Protocol dat als de Raad van Bestuur van de ECB regels vastlegt, zij dit doet in Richtsnoeren. De gecombineerde toepassing van artikel 33 Organieke Wet en de artikelen 23.4 en 12.1 van het Vierde Protocol impliceren dat het Richtsnoer bindend is voor de NBB.

  • De voorrang van het Richtsnoer:

Het Richtsnoer geniet voorrang boven de toepassing van de Organieke Wet.
Uit vaststaande rechtspraak volgt namelijk dat het primair en afgeleid Unierecht steeds voorrang hebben op het interne recht van de lidstaten. In het arrest Costa / ENEL dd. 1964 verwoordde het Hof van Justitie dit reeds als volgt:

“dat het Verdragsrecht, dat uit een autonome bron voortvloeit, op grond van zijn bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden gezet, zonder zijn gemeenschapsrechtelijk karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de Gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast”.

Het Unierecht heeft aldus voorrang op elke nationale rechtsregel die ermee in strijd zou zijn. Deze regel geldt zelfs als het gaat om “beginselen van het constitutioneel bestel van een lidstaat”10 en geldt dus zeker voor de bepalingen van de Organieke wet van de Nationale Bank, zoals blijkt uit de volgende vaststellingen:

i) De richtsnoeren van de ECB zijn de nadere invulling van het Europese recht wat het monetair beleid betreft.
Dit volgt uit een combinatie van een aantal artikelen uit het Verdrag betreffende de Europese Unie (waarvan parallelle bepalingen terug te vinden zijn in artikelen van het Vierde Protocol):
– Artikel 127 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (en artikel 3 van het Vierde Protocol) bepaalt dat het ESCB de fundamentele taken uitvoert van het monetair Europees Unie beleid overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie.
– Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de richtsnoeren de concrete uitwerking zijn van de verdragsbepalingen voor het monetair beleid van de Europese Unie. Als zodanig genieten ze van de voorrang van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht. De Europese Unie is immers niet enkel een economische unie maar ook een monetaire unie, zodat de bewaking van het monetaire beleid tot het kernbeleid van de Europese unie hoort.
– Artikel 131 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (een parallelle bepaling is terug te vinden in artikel 14.1 van het Vierde Protocol) :
“Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Verdragen en met de statuten van het ESCB en van de ECB.”
– Artikel 14.3 van het Vierde Protocol: Het Richtsnoer geniet dus onbetwistbaar voorrang op de Organieke Wet.

De NBB argumenteert geheel ten onrechte dat de bepalingen van de organieke wet als lex specialis zouden primeren op Richtsnoer ECB/2010/20.

Is artikel 3 van het Richtsnoer overigens niet voldoende duidelijk:

“De volgende uitgangspunten inzake de financiële administratie zijn van toepassing: Economische realiteit en transparantie […] betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid […]”

De precieze en vergelijkbare weergave van de verhouding eigen vermogen/ vreemd vermogen is een minimale eis die aan elke verslaggeving kan worden opgelegd… te meer gelet op de beursnotering. En zelfs als zou de Organieke wet primeren… uit welk artikel blijkt dat de verslaggeving niet transparant en vergelijkbaar zou moeten zijn?

3.2) Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (Publicatieblad L 390, 31/12/2004)

Nadat Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (Publicatieblad L 243 dd. 11.9.2002) reeds een eerste aanzienlijke aanzet had gegeven voor een Gemeenschapsbrede convergentie van de standaarden voor de financiële verslaggeving voor uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en die een geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen, bouwt deze Richtlijn 2004/109/EG inzake de jaarlijkse en tussentijdse financiële verslaggeving verder op het beginsel dat een getrouw beeld moet worden gegeven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling.
Uit de overwegingen van deze Richtlijn kunnen volgende algemeen geldende beginselen worden afgeleid:

“(1) Efficiënte, transparante en geïntegreerde effectenmarkten dragen bij tot de totstandkoming van een echte interne markt in de Gemeenschap en werken de groei en de schepping van werkgelegenheid in de hand dankzij een betere kapitaalallocatie en kostenvermindering. De openbaarmaking van accurate, alomvattende en tijdige informatie over effectenuitgevende instellingen wekt een duurzaam vertrouwen bij beleggers en maakt het mogelijk zich een verantwoord oordeel te vormen over de resultaten en het vermogen van deze uitgevende instellingen. Dit komt zowel de beleggersbescherming als de marktefficiëntie ten goede.

(2) Te dien einde moeten effectenuitgevende instellingen via een gestage informatiestroom voldoende transparantie jegens beleggers garanderen. (…)

(3) (…) In deze richtlijn wordt, wat de jaarlijkse en tussentijdse financiële verslaggeving betreft, voortgebouwd op deze benadering, met inbegrip van het beginsel dat een getrouw beeld moet worden gegeven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de financiële instelling.”

Het getrouw beeld van de jaarrekening is een essentiële vereiste, zoals ook blijkt uit de volgende citaten:

– “Rekening en verantwoording afleggen is uiteraard nog veel belangrijker wanneer de onderneming beroep gedaan heeft op het spaarwezen en de effecten van de onderneming (aandelen of obligaties) op de kapitaalmarkt worden verhandeld. Recente schandalen in Europa (Lernout & Hauspie, Parmalat) en in de Verenigde Staten (Enron, Worldcom) hebben nog eens het belang onderstreept van een behoorlijke financiële verslaggeving en de controle daarop door een onafhankelijke deskundige.“
– “Sinds de transpositie in het Belgisch recht van de Vierde Richtlijn neemt het beginsel volgens hetwelk de jaarrekening een “getrouw beeld” moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming in het Belgisch boekhoud- en jaarrekeningenrecht een centrale plaats in. Gezien in België dezelfde functies worden toegemeten aan dit beginsel als in de Richtlijn, is een uitweiding aangaande de plaats van dit beginsel in de Vierde Richtlijn onontbeerlijk”.
– “… moet de jaarrekening weergeven enerzijds, de aard en het bedrag, op de dag waarop het boekjaar wordt afgesloten, van de bezittingen en rechten van de onderneming, van haar schulden en verplichtingen evenals van haar eigen middelen (eigen onderstreping), en anderzijds, voor het op die dag afgesloten boekjaar, de aard en het bedrag van haar kosten en haar opbrengsten.“

De NBB beroept zich op artikel 1, lid 4, van Richtlijn 2004/109,EG, waarin bepaald is dat “de lidstaten kunnen besluiten artikel 17 niet toe te passen op hun Nationale Centrale Banken….” De redengeving is niet relevant, in zoverre een dergelijk besluit van de lidstaat België niet voorligt. Overigens zou een dergelijk besluit enkel betrekking kunnen hebben op artikel 17 van de richtlijn, en geenszins op de overige bepalingen van de richtlijn, waarvan de strekking en de algemeen geldende beginselen hoger zijn weergegeven. Deze zijn derhalve onverkort van toepassing voor de NBB. Omgekeerd stelt artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2004/109/EG immers duidelijk dat de richtlijn zelf, mogelijk met uitzondering van artikel 17, ook integraal van toepassing is op de Nationale Banken.

Deze visie wordt ook erkend in Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (Publicatieblad L 69 van 9.3.2007). In de overwegingen lezen we immers het volgende:

“(1) Richtlijn 2004/109/EG stelt de algemene beginselen vast voor de harmonisatie van de transparantievereisten met betrekking tot het houden van stemrechten of financiële instrumenten die het recht verlenen om bestaande aandelen met stemrechten te verwerven. De richtlijn beoogt ervoor te zorgen dat middels openbaarmaking van accurate, alomvattende en tijdige informatie over effectenuitgevende instellingen een duurzaam vertrouwen bij beleggers wordt gewekt. (…)
(2) Richtlijn 2004/109/EG stelt hoogwaardige eisen aan de verspreiding van geregle-menteerde informatie. Voor de toepassing van die richtlijn is louter de beschikbaarheid van informatie, hetgeen impliceert dat beleggers actief daarnaar op zoek moeten gaan, niet toereikend. Daarom moeten uitgevende instellingen dergelijke informatie actief onder de media verspreiden met de bedoeling beleggers te bereiken.”
Parallel als hoger dient te worden vastgesteld dat, luidens artikel 8, lid1, het uitzonderingsregime dat als mogelijkheid wordt gecreëerd voor de Nationale Banken zich beperkt tot de periodieke informatieverplichtingen, zoals weergegeven in de artikelen 4 en 5. Er is geen betwisting over de toepasselijkheid van de overige bepalingen van deze richtlijn. Evenmin over de toepasbaarheid van voormelde overwegingen. Of wil de NBB voorhouden dat haar verslaggeving niet onderworpen zou zijn aan de principes van transparantie en vergelijkbaarheid?
Verliest de NBB hierbij niet uit het oog dat de Regentenraad de NBB met expliciete bewoordingen heeft onderworpen aan “nauwkeurigheid”, “volledigheid” en “het transparant karakter van de “financiële informatie” (art 2.3. reglement Auditcomité).

4) De rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie

De rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigt het principe dat het getrouw beeld volgt uit de correcte toepassing van de voorgeschreven waarderingsregels zelf.
In het arrest “DE + ES Bauunternehmung GmbH v. Finanzamt Berheim” van 14 september 1999 benadrukt het Hof:

“Dat het beginsel van het getrouw beeld vereist, dat de jaarrekening de weerspiegeling is van de activiteiten en verrichtingen die zij geacht worden te beschrijven en dat de boekhoudkundige informatie wordt verstrekt in de vorm die het meest bruikbaar en geschikt wordt geacht om aan de informatiebehoeften van derden te voldoen.”

Vanzelfsprekend kan dit standpunt van het Hof van Justitie worden toegepast op elke soort regelgeving met dezelfde doelstelling, zoals in dit geval op de Organieke Wet en het Richtsnoer.

5) De Wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van ondernemingen:

Artikel 52 van de Statuten van de NBB bepaalt uitdrukkelijk dat de artikelen 2 tot 4,  6 tot 9 en 16 van de wet van 17 juli 1975 betreffende de boekhouding van ondernemingen en de besluiten genomen ter uitvoering ervan van toepassing zijn op de rekeningen van de NBB, met uitzondering van de besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 4, zesde lid en 9§2.

Artikel 4, tweede lid van deze wet bepaalt dat:

“Alle verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven […].”

Alle verrichtingen dienen volgens de wetgever aldus chronologisch in een dagboek te worden opgenomen. Het geheel van deze verrichtingen leidt tot wijzigingen in het eigen en vreemd vermogen. De jaarrekening vloeit voort uit het geheel van deze individuele verrichtingen en dient bijgevolg uiteraard eveneens een getrouw beeld te geven van de financiële situatie van de vennootschap.

6) Koninklijk besluit van 14 november 2007 betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt:

Het Koninklijk besluit van 14 november 2007 zet o.a. bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG en Richtlijn 2007/14/EG om in het Belgische recht (art. 1).

Artikel 5, het enige artikel onder de titel “Algemene verplichtingen”, geeft duidelijk aan over welke kwaliteit publiek verstrekte informatie dient te beschikken alvorens het kan beschouwd worden als zijnde in overeenstemming met de Belgische – en bij uitbreiding Europese – regelgeving:

“Art. 5. De emittenten stellen aan het publiek de nodige informatie ter beschikking om de transparantie, de integriteit en de goede werking van de markt te verzekeren. De verstrekte informatie is getrouw, nauwkeurig en oprecht en stelt de houders van effecten en het publiek in staat de invloed van de informatie op de positie, het bedrijf en de resultaten van de emittent te beoordelen.

In tegenstelling tot de bewering van de NBB in haar conclusie dat zij zich niet dient te conformeren met de regelgeving inzake het verstrekken van een jaarrekening die een getrouw beeld vormt (al dan niet via de gemeenrechtelijke regels inzake transparantie), is er geen enkele bepaling in dit Koninklijk besluit van 14 november 2007 dat de NBB uitsluit van de toepassing van dit artikel 5.

7) De rechtsleer:

Zoals door de rechtsleer ter zake erkend, kan algemeen gesteld worden dat het getrouw beeld het ultieme doel is van de jaarrekening.14 Dit ultieme doel is ook voor de NBB relevant, voornamelijk middels de bepalingen voorzien in de Organieke Wet en het Richtsnoer (zoals duidelijk geëxpliciteerd in artikel 3 van het Richtsnoer).

B. BELLEN en J. STEVENS verwoorden dit algemeen principe als volgt (met o.a. verwijzing naar M. WYCKAERT):

“De jaarrekening wordt dan verondersteld een volledig en getrouw beeld te geven van de waarde van de samenstellende bestanddelen van het vermogen van een onderneming, nadat zij op de juiste wijze werden gekwalificeerd. Het uitgangspunt van de wetgever is dus dat de toepassing van de voorgeschreven waarderingsregels en schema’s in principe tot een getrouw beeld van de jaarrekening moet leiden.”

K. VAN HULE, N. LYBAERT en J.P. MAES spreken over “het gebruikersgericht karakter van het getrouwbeeldconcept”:

“Om haar doel te bereiken moet de financiële informatieverstrekking zodanig gebeuren dat ze aan de wensen van de ontvangers van die informatie, de gebruikers, voldoet. Het getrouw beeld is bestemd voor de gebruikers van de jaarrekening, niet voor de opstellers of de controleurs ervan.”

Bovendien erkent ook de Belgische Federale Overheid het belang van transparantie. De Dienst Federale Accountant, die belast is met het opstellen en neerleggen van de geconsolideerde jaarrekeningen van de federale overheid stelt zelf dat: “Internationale Boekhoudkundige Standaarden krijgen meer en meer de voorkeur om zo transparantie en vergelijkbaarheid te garanderen.”

In dit specifieke geval betreffen o.a. de voorgeschreven waarderingsregels en schema’s deze voorzien in de Organieke Wet en het Richtsnoer. In de mate de NBB deze regels niet naleeft, dient aldus besloten te worden dat haar jaarrekening geen getrouw beeld geeft. Dit is met zekerheid het geval in zoverre de NBB weigert en blijft weigeren om een antwoord te verschaffen op de vraag of de bron van de actiefpost goud en meerwaarden behoort tot het eigen dan wel tot vreemd vermogen.


 

Verwijzingen:

Richtlijn 2009/109/EG van 15 december 2004
Advies van de ECB van 30 september 2003
Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978
Circulaire FSMA 2012_01 dd. 11 januari 2012
Advies van de ECB van 30 september 2003 (CON/2003/21)
Het Richtsnoer van de ECB van 11 november 2010


 

Thelaw

%d bloggers liken dit: