De rechten van de aandeelhouders

De uiteindelijke eigendomsrechten over het eigen vermogen van de vennootschap liggen, net als bij elke andere Nationale Centrale Bank, uitsluitend bij de eigenaars van de centrale bank.
Voor de NBB zijn deze eigendomsrechten verankerd in het Artikel 4 van de Statuten van de vennootschap. En om als eigenaar die uiteindelijke eigendomsrechten exact te kunnen bepalen dient het bestuur een waarheidsgetrouw beeld te geven van (de wijzigingen in) het vermogen van de vennootschap.

  • Het Artikel 4 van de Statuten:
    “Elk  aandeel  geeft  recht  op  een  evenredig  en  gelijk  deel  in  de  eigendom  van  het  maatschappelijk vermogen en in de verdeling van de winsten.”
  • Het Artikel 7 van de Statuten:
    De aandeelhouders, hun erfgenamen of hun schuldeisers mogen noch de zegels doen leggen op de goederen en waarden van de Bank, noch de verdeling of de veiling vragen, noch zich in haar beheer mengen.
    Voor de uitoefening van hun rechten moeten zij zich houden aan de inventarissen der vennootschap en aan de besluiten van de algemene vergadering.

Het Artikel 4 van de Statuten is voor geen enkele interpretatie vatbaar:
elk aandeel geeft recht op een evenredig deel in het vermogen van de vennootschap. Nergens is er sprake van enige beperking, noch werd er ergens een inventaris opgemaakt van “specifieke activa” waar die uiteindelijke eigendomsrechten dan wel of niet van toepassing zouden op zijn.
Tot op vandaag heeft de onafhankelijke Regentenraad, met alle verantwoordelijkheid die de Wetgever haar heeft gegeven, nog geen enkele transparantie gegeven welke activa eventueel zouden uitgesloten zijn mochten meerwaarden in aanmerking worden genomen om toe te kennen aan de aandeelhouders.

De enige bestaande inventaris waar de aandeelhouders van de Nationale Bank van België zich kunnen op baseren om, volgens het Artikel 7 van de Statuten “hun rechten te kunnen uitoefenen”, is de balans zoals de Regentenraad deze jaarlijks opneemt in haar jaarverslag.

Elders op de webpagina werden de verschillende aspecten van het belang en de tekortkomingen in de kwaliteit van de financiële rapportering vanwege de Regentenraad uitgebreid besproken. Hier enkel dan toch:

  1. De jaarrekening dient te worden opgesteld volgens de voor de Europese Centrale Bank (ECB) en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) geldende modellen en grondslagen voor waardering en resultaatbepaling (de ESCB-grondslagen) en de geharmoniseerde toelichting op de balans en winst- en verliesrekening.
  2. Omwille van consistentie en vergelijkbaarheid tussen het Eurosysteem en de Nationale stelsels, zij aanbevolen dat de NCB’s, voor zover mogelijk, voor hun nationale rapportage en financiële rekeningen de in dit Richtsnoer gestipuleerde regels volgen.

Het is aan de NBB om aan te tonen met welke onmogelijkheid zij geconfronteerd is om deze aanbeveling niet te volgen en, bij gebreke van enige argumentatie, moeten wij aannemen dat de vergelijkbare rapporteringswijze van het Eurosysteem wordt gehanteerd.

Herschikkingen of wijzigingen in het aandeelhouderschap van de ECB  worden geregeld door de Statuten van het ESCB (artikel 29.3), en men heeft het hierbij over “een kapitaalverdeelsleutel” welke het relatieve aandeel van elke NCB bepaalt in het “geaccumuleerde eigen vermogen van de ECB”.

Artikel 1 – Definities:
In dit besluit wordt bedoeld met geaccumuleerd eigen vermogen: het totaal van de reserves, herwaarderingsrekeningen, en met reserves gelijkgestelde voorzieningen. (..)
(Bron: Besluit van de Europese Centrale Bank van 21 juni 2013 (ECB/2013/15) L 187/9)

Volgens deze kapitaalverdeelsleutel wordt de deelname van de NBB in het eigen vermogen van de ECB bepaald, en jaarlijks herschikt. Gezien het respect voor het Richtsnoer, waaruit dus zonder enige twijfel de vergelijkbaarheid tussen de rapporteringswijzen volgt, betekent dit dat het eigen vermogen van de Nationale Bank van België het totaal is van haar balansrubrieken:

  • 13. Kapitaal, reservefonds en beschikbare reserve (6.512.795.000,00 euro)
  • 12. Herwaarderingsrekeningen (10.068.000.000,00 euro)
  • 11. Voorzieningen (3.146.000,00 euro)

Op balansdatum van 31 december 2019 rapporteert het bestuur van de Nationale Bank van België dus een totaal bedrag van 16.583.941.000,00 euro als eigen vermogen op haar balans.
Samen met de te bestemmen jaarwinst over het boekjaar 2019 (825.252.000,00 euro) toont zij dus een schuld aan de eigenaars van de vennootschap van 17.409.193.000,00 euro (ofwel 43.522,98 euro per aandeel NBB).

Ondanks de aangeklaagde gebreken in de financiële communicatie rest er de aandeelhouders van de NBB niks anders dan zich te houden aan de enige inventaris zoals deze momenteel door het bestuur werd opgemaakt.
Bij elke andere NCB van het Eurosysteem wordt het eigen vermogen van de vennootschap op deze manier bepaald, en zijn de aandeelhouders de enige eigenaars van dit eigen vermogen. Wie anders?

Gezien het bestuur van de NBB de volgende erkenning aangaande haar financiële verslaglegging heeft gedaan voor het Hof van Beroep, mogen de aandeelhouders er zeker een bepaald belang aan geven:

De Nationale Bank bevestigt in haar syntheseconclusie dat zij onderworpen is aan de verplichting van financiële rapportering volgens het vereiste van het getrouw beeld bepaald in artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 14 november 2007.“
Het Hof van Beroep Brussel – Arrest van 28 oktober 2019 (pagina 11)


De aandeelhouders van de Nationale Bank van België hebben dus eigenlijk geen enkele reden om te twijfelen omtrent hun eigendomsrechten over het eigen vermogen van de vennootschap:

  • de Nationale Bank van België rapporteert haar eigen vermogen (waarheidsgetrouw) volgens de boekhoudprincipes zoals elke andere NCB van het ESCB dit doet,
  • en met uitzondering van de volgende bepalingen vermelden de Statuten noch de actuele Organieke Wet ook maar één andere beperking van de uiteindelijke eigendomsrechten over het vermogen van de vennootschap:
  • het Artikel 30 van de Organieke Wet: de meerwaarden op de goudvoorraad, uitsluitend gerealiseerd via arbitrages naar andere reserve-componenten, worden alleen maar onbeschikbaar gesteld voor uitdeling aan de aandeelhouders. De verdere opbrengsten van deze reserverekening (eigen vermogen van de vennootschap) worden toegekend aan de Belgische Staat, en maken dus zonder meer een onteigening uit,
  • het Artikel 37 van de Organieke Wet: de meerwaarde gerealiseerd naar aanleiding van de overdrachten van activa in goud voor de uitgifte door de Staat van verzamelaars- of herdenkingsmunten, wordt aan de Belgische Staat toegekend. Deze “overgangsbepaling” beslaat een resterende hoeveelheid van 8.977 kg goud.
  • het Artikel 32 van de Organieke Wet: betekent zonder meer het belangrijkste gevaar voor de eigendomsrechten van de aandeelhouders van de Nationale Bank van België.

De volgende voorbeelden moeten dit enigzins duidelijk maken.
We veronderstellen:

De onafhankelijke Regentenraad oordeelt dat alle risico’s volledig onder controle zijn:

  • en beslist dat de actuele reserves (meer dan) toereikend zijn om eventuele verliezen op te vangen: zij past haar reserveringspolitiek aan, en er worden geen jaarwinsten toegevoegd aan de reserves,
  • de dividendpolitiek blijft ongewijzigd, immers de Regentenraad streeft “een stabiele dividendpolitiek” na (sic),
  • Over 2019 heeft de NBB een jaarwinst gerealiseerd van 825,25 miljoen euro, waarvan er slechts 49,03 miljoen euro werden bestemd voor de uitkering van dividenden aan de aandeelhouders.
  • En dus is “de correcte vergoeding” voor het verkregen emissierecht 94,06 % van de jaarwinst ? Een saldo van 776,22 miljoen euro?
  • Op welke manier verhoudt een dergelijke winstverdeling zich tot de bepalingen van het Artikel 4 van de Statuten van de vennootschap?
  • NIET onteigenend, dat Artikel 32 ?

Het wordt zo maar mogelijk, toch? Wanneer men als Wetgever de foute uitgangspunten inneemt:

“Kenmerkend voor een centrale bank is dat er regels bestaan voor de verdeling van haar opbrengsten die moeten garanderen dat het surplus van de inkomsten ten opzichte van haar kosten, terugvloeit naar de Staat als soevereine Staat.”

Het elders besproken essentiële verschil met uitsluitend “de winst als resultaat van de bankbiljettenuitgifte” …

En bovendien realiseert de Nationale Bank meerwaarden op haar goudvoorraad:

  • eveneens een voorbeeld, uitsluitend om te illustreren:
  • de ECB kan op elk moment, volgens de bepalingen van het Artikel 30 van haar eigen Statuten, beslissen om bijkomende officiële externe reserve-activa op te vragen bij de Nationale Centrale Banken. Zij zou, om welke reden dan ook, de beleidskeuze kunnen maken om de volledige goudvoorraad van het ESCB op haar eigen balans tot uiting te brengen,
  • per 31 december 2019 brengt de NBB een bedrag van 9,58 miljard euro ongerealiseerde meerwaarden op haar goudvoorraad als eigen vermogen op haar balans tot uiting,
  • de goudvoorraad verdwijnt (door de opvraging) als een actief van de balans van de NBB, en in ruil verhoogt haar rentedragende vordering op de ECB,
  • deze vordering maakt geen component uit van de officiële externe reserve-activa van de Nationale Bank van België, en bijgevolg is het Artikel 30 van de Organieke Wet NIET van toepassing: de 9,58 miljard euro voegt zich toe aan de te bestemmen jaarwinsten van de vennootschap.
  • Zou een niet echt onafhankelijke Regentenraad deze 9,58 miljard euro beschouwen als “meerwaarden op specifieke activa“? En deze dus bestemmen naar de beschikbare reserves, of uitkeren als dividend?
  • Of zou zij deze toevoegen aan “het saldo van de jaarwinst als een correcte vergoeding voor het emissierecht”?
  • Gezien er geen enkele transparantie bestaat, er geen inventaris bestaat van “specifieke activa”?
  • Gezien zij “correcte vergoedingen” voor seigneuriage durft toe te kennen, wanneer seigneuriage reeds jaren totaal onbestaande is?
  • Gezien zij in haar jaarverslag de tekst van het Artikel 9bis blijft aanhouden, waarbij de officiële externe reserve-activa van de Belgische Staat zouden zijn?

Heeft het Grondwettelijk Hof een dergelijke wet als
NIET-onteigenend beoordeeld?

ALLE activa, tot uiting gebracht op de balans van de vennootschap, zijn eigen activa van de vennootschap. Alle meerwaarden gerealiseerd op AL deze activa zijn toe te rekenen tot de jaarwinsten, en dus tot het eigen vermogen van de vennootschap.

De Wetgever geeft hier de indruk dat de eigenaars NIET over de uiteindelijke eigendomsrechten zouden beschikken over het vermogen belegd in AL die activa, dat hun rechten beperkt zouden zijn tot de meerwaarden gerealiseerd uitsluitend op de gebouwen en “de statutaire portefeuille”, wat pertinent NIET overeenstemt met de waarheid.

Opnieuw werd hier de ruimte gecreëerd, dit keer benoemd als “beleidsvrijheid”, om de Regentenraad de macht te geven om in totale willekeur af te wijken van de eigen statutaire bepalingen en het grondwettelijke eigendomsrecht. De Regentenraad heeft reeds op elke mogelijke manier bewezen NIET onafhankelijk te zijn, het gestelde vertrouwen OP GEEN ENKELE manier waard te zijn!